Het afnemend effect slaat op het fenomeen dat paranormaal begaafden hun gaven verliezen wanneer ze gedurende een langere periode worden onderzocht. Dit idee is gebaseerd op de vaststelling dat proefpersonen die in de eerste proeven significant beter presteren dan het niveau van de wiskundige kans, de neiging hebben om slechter te presteren bij latere tests. (Parapsychologen spreken ook van het toenemend effect om proefpersonen te beschrijven die de neiging hebben om beter te presteren in latere proeven.)

De term werd bedacht door J. Beloff, die schreef:

...het bleek al gauw dat een afnemend effect, zowel voor ESP als voor PK, kon optreden gedurende het verloop van een aantal sessies, en uiteindelijk ook gedurende het verloop van een volledige carrière. Zowat iedereen met een hoge score verloor uiteindelijk zijn/haar speciale gave. Zelfs bij Pavel Stepanek, wiens 10 jaar durende carrière als ESP proefpersoon hem uiteindelijk een plaatsje opleverde in het Guinness Book of Records, raakte de tank uiteindelijk leeg. Toen hij onlangs na een lange onderbreking opnieuw getest werd door Dr. Kappers in Amsterdam, slaagde hij er niet in scores te behalen die boven de wiskundige kans lagen. Wellicht was er in zijn geval geen sprake van een gebrek aan motivatie of verveling, twee redenen die soms worden aangehaald als verklaring voor het afnemen van het effect op lange termijn, want het was net Stepaneks sterke punt dat hij gewoonweg niet in staat was tot verveling! Evenmin kunnen we Martin Gardners poging ernstig nemen om aan te tonen dat het best mogelijk was dat hij de hele tijd bedrog pleegde. Als hij immers een bedrieger was, dan zouden zijn prestaties er in de loop van de tijd op vooruit gegaan zijn, doordat hij steeds meer ervaring opdeed. Wat de verklaring ook is van het afnemen van het effect op lange termijn, het moet iets diep en alomtegenwoordig zijn.*

Beloff vergist zich in zijn veronderstelling dat een bedrieger steeds beter zou worden door meer oefening. Dat is immers alleen het geval als degenen die de bedrieger testen niet in staat zijn om het bedrog te ontmaskeren.

Een alternatieve verklaring voor het afnemend effect is het feit dat er met het verstrijken van de tijd, of wanneer andere personen de tests afnemen, strengere controles zijn en betere protocols bij de experimenten, die dan leiden tot lagere scores. Bij sommige experimenten van J. B. Rhine bleken bijvoorbeeld gedeeltelijk doorzichtige Zener-kaarten te zijn gebruikt. Bij latere proeven werden er misschien waarnemers bij gehaald, zodat het moeilijker werd voor de proefpersonen om vals te spelen.

Een andere alternatieve verklaring voor het feit dat proefpersonen die het goed doen in de eerste tests doorgaans minder goed presteren in latere proeven, en omgekeerd, is regressie naar het gemiddelde. Men mag immers verwachten dat een proefpersoon zonder paranormale gaven na verloop van tijd in de buurt zal komen van de wiskundige kans bij experimenten waarbij moet worden geraden, maar dat er daarbij af en toe ook reeksen voorkomen waar de proefpersoon hoger dan de gemiddelde kans scoort en reeksen waar de proefpersoon lager dan de gemiddelde kans scoort. Deze afwijkingen hebben dan niets te maken met het toe- en afnemen van paranormale krachten, maar wel met de natuurlijke neiging van regressie naar het gemiddelde.

Beloffs verklaring voor het afnemend effect was de stelling dat paranormale fenomenen een "verstoring van de natuurlijke orde" inhouden en dat de Natuur "reageert op deze scheuren in de stof van de kosmos door ze te herstellen, net zoals ons lichaam wonden heelt."* Dat is evenwel pure speculatie van Beloff.

Andere verklaringen die soms worden gegeven: verveling, vermoeidheid of het onvermogen om de onbewuste processen waarop paranormale gaven berusten onder controle te houden.*

De alternatieve verklaringen hebben de verdienste dat ze niet alleen meer plausibel zijn dan de theorie van het afnemend effect, maar ook dat ze na verloop van tijd van toepassing zijn op verschillende soorten paranormale tests, zoals tests met Zener-kaarten. Het is immers waarschijnlijk dat wetenschappelijke onderzoekers eenvoudigweg beter zijn geworden in het evalueren van hun gegevens en dat ze bij het opzetten van hun experimenten een betere controle zijn gaan inbouwen op zaken zoals zintuiglijke lekken of bedrog, met als gevolg dat de scores lager zijn geworden.

Met dank aan Jan Van Haver voor de vertaling van dit artikel.