Alchemie is een occulte kunst. De voornaamste doelstellingen van de beoefenaars ervan zijn het omzetten van basismetalen als lood of koper in waardevolle metalen als goud of zilver (het transmutatiemotief); het maken van een elixir, toverdrank of metaal dat alle ziektes zou kunnen genezen (het panaceemotief); en het ontdekken van een elixir dat onsterfelijkheid geeft (het transcendentiemotief). De steen der wijzen is de naam die aan de magische stof wordt gegevens die deze prestaties moet leveren.

Vele moderne alchemisten combineren hun occulte kunst met acupunctuur, astrologie, hypnose en een ruime waaier aan New Age spirituele zoektochten. Alchemisten mogen dan al hun ideeën hebben uitgeprobeerd door experimenten te bedenken, hun methodes hadden steevast te maken met het bovennatuurlijke, het magische en het bijgelovige. Misschien is dat de reden waarom alchemie nog steeds populair is, hoewel het zo goed als niets van blijvende waarde heeft opgeleverd. Alchemisten hebben nooit metalen omgezet, hebben nooit een panacee gevonden en hebben de fontein van de eeuwige jeugd nooit ontdekt.

Alchemie is gebaseerd op het geloof dat er vier basiselementen zijn—vuur, lucht, aarde en water—en drie essenties: zout, zwavel en kwik. Grote symbolische en occulte systemen werden gebouwd op deze zeven pilaren van alchemie. De grondslag van Europese alchemie, die floreerde in de Renaissance, zou de oude Chinese en Egyptische occulte literatuur zijn. De Egyptische god Thoth, gekend als Hermes Trismegistus, zou naar verluidt een van de boeken geschreven hebben die door de alchemisten als heilig worden aanzien. (Hermes, de allergrootste, was de Griekse god die als koerier werkte en de zielen van de doden aan Hades leverde.) Het boek in kwestie, Corpus Hermeticum, werd eerst verspreid in Firenze, Italïe, rond 1455. Het werk staat bol van de magische bezweringen en toverformules en zou van Europese oorsprong zijn.

Sommige alchemisten droegen wél bij tot de vooruitgang van kennis. Paracelsus (1493–1541), bijvoorbeeld, was de grondlegger van het concept van ziekte naar geneesmiddel. Ironisch genoeg verwierp hij het idee dat ziekte een kwestie is van een onevenwicht of gebrek aan harmonie in het lichaam, een overtuiging die populair is bij moderne alchemisten. Paracelsus hield vol dat ziekte veroorzaakt werd door elementen van buiten het lichaam die het lichaam aanvielen. Hij ried diverse chemicaliën aan om ziekte te bestrijden.