Het argumentum ad ignorantiam is een logische denkfout van irrelevantie waarbij iemand beweert dat iets waar is enkel en alleen omdat het niet als foutief is bewezen, of dat iets foutief is enkel en alleen omdat het niet als waar is bewezen. Of een bewering waar of vals is hangt af van steunend of weerleggend bewijs, niet van het gebrek aan steun voor een tegenovergestelde of tegenstrijdige bewering. (Tegenovergestelde beweringen kunnen niet beide waar zijn maar beide kunnen vals zijn, in tegenstelling tot tegenstrijdige beweringen. "Jones was in Chicago op het tijdstip van de overval" en "Jones was in Miami op het tijdstip van de overval" zijn tegenovergestelde beweringen--waarbij we er vanuit gaan dat er geen dubbelzinnigheid is met 'Jones' of 'overval'. "Jones was in Chicago op het tijdstip van de overval" en "Jones was niet in Chicago op het tijdstip van de overval" zijn tegenstrijdig. Een bewering wordt als waar aanzien als de tegenstrijdigheid als foutief wordt bewezen, en vice-versa.)

Het feit dat het niet kan worden bewezen dat het heelal niet ontworpen is door een Intelligente Schepper, bewijst niet dat het wél ontworpen is. Evenmin bewijst het feit dat het niet kan worden bewezen dat het heelal ontworpen is door een Intelligente Schepper dat het niet werd ontworpen.

Het argumentum ad ignorantiam lijkt verleidelijker wanneer het kan werken met wishful thinking. Mensen die willen geloven in onsterfelijkheid, bijvoorbeeld, zullen makkelijker geneigd zijn te denken dat het gebrek aan bewijs van het tegendeel van hun gewenst geloof enigszins relevant is voor de staving ervan.