De term aromatherapie is in de jaren 1920 uitgevonden door de Franse scheikundige René Maurice Gattefossé om de genezende behandeling te beschrijven waarbij gebruik werd gemaakt van idiopathische oliën uit planten, bloemen, wortels, zaden, enz. De term is enigszins misleidend, aangezien het aroma van oliën, natuurlijk of synthetisch, op zich over het algemeen niet therapeutisch is. Aroma's worden gebruikt om de oliën te identificeren, om vervalsing vast te stellen en om het geheugen te stimuleren, maar niet om rechtstreeks een geneesmiddel te zijn of genezing te bevorderen. Het is de "essentie" van de olie--haar scheikundige eigenschappen--die de eventuele therapeutische waarde aan olie geeft. Bovendien worden dampen in sommige maar zeker niet alle gevallen van aromatherapie gebruikt. In de meeste gevallen wordt de olie op de huid gesmeerd of wordt ze opgenomen via thee of een andere vloeistof. Sommige aromatherapeuten beschouwen zelfs het koken met kruiden als een vorm van aromatherapie.

De genezende kracht van etherische oliën is het grootste aantrekkingspunt in aromatherapie. Dit is eveneens de belangrijkste vraag voor de skepticus. Er is bijzonder weinig bewijs voor alle beweringen die aromatherapeuten maken over de diverse geneeskrachtige eigenschappen van oliën. Het bewijs voor de genezende kracht van stoffen zoals theeboomolie bestaat grotendeels uit getuigenissen zoals de volgende:

In het vliegtuig op weg naar India [vanuit Europa] enkele jaren geleden, begon mijn wijsvinger hevig te kloppen. Bij het snoeien van mijn rozen twee dagen eerder was er een doorn van een roos in geraakt. Het begon nu te ontsteken. Ik smeerde er meteen onverdunde theeboomolie op. Tegen dat ik aankwam in Bangalore, was de zwelling bijna verdwenen en was het geklop gestopt (Daniele Ryman, Aromatherapy).

Dit soort post hoc-redenering komt overvloedig voor in de literatuur over alternatieve gezondheidszorg. Meer overtuigend zouden enkele controleonderzoeken zijn zoals deze:

Professor Tomas Riley van het Departement Microbiologie aan de Universiteit van Washington heeft een verhandeling gepubliceerd in [bla bla wetenschappelijk tijdschrift] dat aantoont dat theeboomolie heel wat bacteriën doodt in ordinaire infecties, waaronder enkele stafylokokken en streptokokken.

Wanneer naar andere aromatherapeuten wordt verwezen, gebeurt dit doorgaans op volgende wijze:

Marguerite Maury schreef rozen voor tegen frigiditeit omdat het de geslachtsdrift zou prikkelen. Ze beschouwt een roos ook als een uitstekend versterkend middel voor vrouwen die aan een depressie lijden (Daniele Ryman, Aromatherapy, blz. 205).

Bij dergelijke getuigenissen vraagt men zich zelden af of is men zelfs niet nieuwsgierig naar het bewijs ervoor. Ze worden gewoon doorgestuurd alsof het om geloofsartikelen gaat.

Naast persoonlijke ervaring lijken aromatherapeuten qua onderzoek enkel geïnteresseerd in het lezen van wat andere aromatherapeuten hebben gezegd of geloven over planten of oliën. De beoefenaars en verkopers van aromatherapeutische producten lijken opvallend niet geïnteresseerd in het wetenschappelijk testen van hun beweringen, waarvan vele empirisch van aard zijn en dus makkelijk kunnen worden getest. Er zijn natuurlijk heel wat aromatherapeuten die onverifieerbare beweringen doen, zoals beweringen over hoe bepaalde oliën hun "tere lichaam" zullen beïnvloeden, hun chakra in evenwicht zullen brengen, harmonie zullen brengen in hun energiestroom, iemand naar zijn centrum zullen doen terugkeren, of bij zullen dragen tot spirituele groei. Van aromatherapie wordt gezegd dat het de mentale, emotionele, lichamelijke of spirituele gezondheid zou herstellen of verbeteren. Dergelijke beweringen zijn in wezen niet verifieerbaar. Ze vormen een deel van de New Age-mythologie en kunnen onmogelijk het onderwerp zijn van een betekenisvolle discussie of debat.

Wanneer aromatherapeuten een professioneel debat aangaan over empirische zaken, gaat het doorgaans over zaken zoals of natuurlijke oliën beter zijn dan synthetische, hoewel het zelfs hierover vergeefs zoeken is naar verwijzingen naar relevante wetenschappelijke studies. De manier waarop aromatherapeut Daniele Ryman, een verdedigster van natuurlijke oliën, het onderwerp "lavendel" behandelt is typisch. In haar boek Aromatherapy, geeft ze wat botanische en historische informatie over de plant, waaronder een bewering van Matthiole, een 16e eeuwse botanist, dat lavendel een wondermiddel is dat een genezing biedt voor epilepsie, apoplexie en geestelijke problemen. Ze vertelt ons dat de voornaamste bestanddelen van lavendel alcoholen zijn zoals borneol, geraniol en linalol; esters zoals geranyl en linalyl; en terpenen zoals pineen en limoneen. Lavendel bevat ook een hoog fenolgehalte, een sterk ontsmettend middel en antibioticum. Ze meldt ook dat hoewel vele oliën heel giftig zijn, lavendel een van de minst giftige is. Dan vertelt ze ons dat lavendel "de olie is die het meest wordt gebruikt voor brandwonden en voor de genezing van de huid". Ze zegt dat lavendel "heel doeltreffend is in de behandeling van blaasontsteking, schedeontsteking en leukorroe". Verder is lavendel als kruidenthee "ook goed als een ochtendtonicum voor herstellende patiënten, als een digestief na maaltijden, voor reumatische aandoeningen, en bij de eerste symptomen van een verkoudheid of griep". Voor het vermijden van spataderen adviseert Ryman dat je "de benen masseert met een olie die bestaat uit drie druppels cypresolie, 2 druppels elk van lavendel en limoenolie, en één ons van sojaolie" (blz. 143). Nergens geeft ze enige aanwijzing dat iemand ergens ooit een beheerste studie heeft uitgevoerd om deze beweringen te testen. Nu is het wel zo dat uitdrukkingen als 'heel doeltreffend' en 'goed zijn' niet heel precies zijn, maar het zijn geen gluiperige woorden als 'helpt' (wat ze zegt dat lavendel in uw bad doet voor cellulitis). En 'het meest gebruikt' voor brandwonden betekent niet dat het ook goed is voor die brandwonden. Toch denk ik dat deze beweringen precies genoeg kunnen worden gemaakt om te testen, hoewel ik het betwijfel of Ryman of de meeste andere aromatherapeuten geïnteresseerd zijn in dergelijke tests.

Om de een of andere reden zegt Ryman in haar hoofdstuk over lavendel niet veel over het gebruik van lavendel om stress tegen te gaan. In een stuk over slapeloosheid, echter, zegt ze dat "lavendel een licht verdovingsmiddel is, aanbevolen voor geestelijke en lichamelijke druk". Er is een studie uitgevoerd, niet vermeld door Ryman, die de invloed vergeleek op intensive care-patiënten van aromatherapie met lavendel, massagetherapie en rust. Het onderzoek besloot dat rust de beste remedie was (Dunn).

Ik wijs aromatherapie echter niet botweg af. Wanneer ik verkouden ben en een verstopte neus heb, gebruik ik Vicks VapoRub, een mengeling van kamfer, menthol en eucalyptus-olie. Strikt genomen ben ik dus een soort aromatherapeut. Maar wanneer ik kijk naar de beweringen van mensen die zichzelf aromatherapeut noemen, moet ik besluiten dat aromatherapie vooral een pseudowetenschappelijke alternatieve medische therapie is. Het is een mengeling van folklore, vallen en opstaan, anekdotes, getuigenissen, New Age-spiritualisme en fantasie. Wat aromatherapie ontbeert is de wil om de nonsens eruit te halen.