Atheïsme wordt gewoonlijk gedefinieerd als het ongeloof in het bestaan van God. Atheïsm houdt dus een actieve verwerping in van het geloof in het bestaan van God. Deze definitie omhelst niet het atheïsme van vele atheïsten, die gebaseerd is op een onverschilligheid tegenover het bestaan van God. Er is een verschil tussen ongeloof in alle goden en geen geloof in God. Ik ben niet zeker of er zelfs een betekenis zit in de eerstvermelde mogelijkheid. Vooraleer iemand in iets niet kan geloven, moet dat iets begrijpelijk zijn en moet het begrepen worden. Aangezien geloof in nieuwe goden in de toekomst kan voorkomen en het onmogelijk is te weten wat er zal bedoeld worden met een verwijzing naar die goden, is het zinloos te zeggen dat iemand in geen enkele god gelooft. Evenzo zijn sommige opvattingen over God zo verwarrend dat ze niet meer dan gebrabbel zijn. Hoe kan iemand niet geloven in de "onnoembare grond van het bestaan"? De uitdrukking heeft geen betekenis voor mij en ik vermoed dat diegenen die zeggen er wel iets in te vinden niet weten waarover ze spreken

Maar omdat er heel wat denkbeelden over God bestaan en deze denkbeelden hun oorsprong vinden in een cultuur of traditie, kan atheïsme ook worden gedefinieerd als het geloof dat een bepaald woord om te verwijzen naar een bepaalde god een woord is dat geen verwijzing is. Er zijn dus zoveel verschillende soorten atheïsme als er namen voor goden bestaan.

Sommige atheïsten hebben weet van vele goden en verwerpen het geloof in het bestaan van elkeen van hen. Zo'n persoon kan een polyatheïst worden genoemd. Alle theïsten zijn atheïsten in de zin dat ze het bestaan van alle andere goden loochenen behalve de hunne, maar ze beschouwen zichzelf niet als atheïsten. Maar de meeste mensen die zichzelf atheïst noemen bedoelen waarschijnlijk dat ze niet geloven in het bestaan van de plaatselijke god. Bijvoorbeeld, de meeste mensen die zich atheïst noemen in een cultuur waarin de Joods-Christelijk-Islamitische God (JCIG) dominant is, bedoelen, op z'n minst, dat ze niet geloven dat er een Almachtige en Alwetende Persoonlijke Schepper is van het heelal. En mensen die in de JCIG geloven zouden dergelijk ongeloof als atheïsme beschouwen.

Baruch de Spinoza (1632-1677) daarentegen, definieerde God als identiek aan de Natuur en als een materie met oneindige kenmerken. Vele Joden en Christenen zagen hem als een atheïst omdat hij zowel de traditionele JCIG als het geloof in persoonlijke onsterfelijkheid verwierp. Thomas Hobbes (1588-1679) werd eveneens een atheïst genoemd omdat hij geloofde dat alle stoffen materieel waren en dat God bijgevolg materieel moest zijn. En toch noemden geen van beiden, Spinoza of Hobbes, zichzelf atheïst.

Epicurus noemde zichzelf evenmin atheïst, maar hij verwierp het begrip god in het oude Griekenland. De goden zijn volmaakt, zei hij. Daarom kunnen ze niet de onvolmaakte wezens zijn zoals Hesiodus, Homerus en anderen hen beschreven. Hun goden hebben menselijke ondeugden waaronder jaloezie. Volmaakte wezens worden nergens door bewogen, inclusief menselijk gedrag. Bijgevolg is het een absurd idee dat de goden zullen belonen of straffen. Volmaakt zijn betekent onverstoord zijn. Het begrip volmaaktheid vereist daarom dat de goden onverschillig staan tegenover menselijk gedrag. Sommigen verwierpen het geloof in de Christelijke God om gelijkaardige redenen. Het idee van een volmaakt wezen dat het heelal schept is tegenstrijdig. Hoe kan perfectie worden verbeterd? Scheppen betekent een gebrek aanduiden, een onvolmaaktheid. In het slechtste geval is iets scheppen de zaken slechter maken, wat een smet op de perfectie zou zijn. Als die tegenwerping kan worden beantwoord, dan volgt er een andere: als God Algoed en Almachtig is, dan kan het kwaad niet bestaan. Daarom is God ofwel Algoed maar laat kwaad toe omdat Hij niet Almachtig is, of is God Almachtig maar laat kwaad toe omdat hij niet Algoed is. Een dergelijke redenering ontkent duidelijk niet het bestaan van alle goden.

Anderen hebben de Christelijke God verworpen omdat ze geloven dat het idee van verering, essentieel voor de meeste Christenen, het idee van almachtigheid tegenspreekt (Rachels 1989). Het idee van een almachtig perfect wezen dat zijn creaties vraagt hem te aanbidden, lijkt absurd. Het lijkt ook duidelijk antropomorf. Nog anderen verwerpen het geloof in de JCIG omdat ze schriften die gebruikt worden om dat geloof te ondersteunen ongelofelijk vinden. Sommige theologen hebben geprobeerd door middel van rede te bewijzen dat God bestaat. De verwerping van dat bewijs kan niet als atheïsme worden aanzien.

Sommige Christenen vinden dat Boeddhisten atheïsten zijn, schijnbaar om dezelfde reden waarom Spinoza of Plato voor hen atheïst zijn: Ieder die de Almachtige en Algoede Persoonlijke Schepper verwerpt, verwerpt God. Maar, het is niet omdat je de JCIG verwerpt dat je alle goden verwerpt. Het is ook niet zo dat wanneer je de JCIG verwerpt, je hetzelfde doet als het geloof in een uiteindelijk principe van het zijn en het goede verwerpen, een zijn dat zowel uitlegt waarom er eerder iets dan niets is en waarom alles is zoals het is. Het verwerpen van de JCIG is evenmin hetzelfde als het geloof verwerpen in een rijk van wezens zoals deva's of geesten die niet beperkt zijn door sterfelijkheid en andere menselijke of dierlijke zwakheden.

Atheïsten ontkennen niet dat mensen ‘mystieke’ of ‘religieuze’ ervaringen hebben waarbij de aanwezigheid van God of een eenheid en betekenis van alles in het heelal wordt gevoeld. Atheïsten ontkennen evenmin dat vele mensen de aanwezigheid van God ervaren in hun dagdagelijkse leven. Atheïst zijn er echter sterk van overtuigd dat de hersentoestand die dergelijke gevoelens en ervaringen teweegbrengt geen bovennatuurlijke oorzaken heeft.

moraliteit

Sommige theïsten geloven dat atheïsme gevaalijk is voor de samenleving omdat er zonder God geen reden is om moreel te zijn. Bisschop Stillingfleet (1635-1699) vermeldde deze stelling in zijn argument tegen de stoïcijnse gedachte dat deugd zichzelf beloont. Als er geen andere beloning zou zijn voor moraliteit, zei hij, dan zou het dom zijn "voor mensen om van het gemak van het huidige leven af te stappen" (Carroll 1975: 112). Bovendien zou een redelijke God het niet aan filosofen overlaten om onze morele plichten te ontdekken. Immers, zij "discussiëren onophoudelijk onder mekaar over die dingen die de meest noodzakelijke beginselen zijn van alle Deugd en Godsdienst". De rationele atheïst moet kokhalzen bij dergelijke opmerking, gezien de voortdurende discussies tussen de diverse godsdiensten over wat deugd en moraliteit is. Stillingfleet veegde de meningen van andere godsdiensten van tafel en verwees er naar als "dwaze ideeën...ijdel bijgeloof...onsamenhangende verhaaltjes..." De andere meningen zijn vals, lomp, onzuiver, gevuld met vreselijke tekortkomingen. Enkel het anglicisme had het bij het rechte eind. Uiteraard zeggen de andere godsdiensten net hetzelfde over anglicisme. En zo gaat het verder.

Pierre Bayle (1647-1706) was het niet eens met Stillingfleet. Hij ontkende dat hij immorele atheïsten kende en vroeg de lezers van zijn Historical and Critical Dictionary (1697) (Historisch en Kritisch Woordenboek) om hem het bewijs te leveren van immorele atheïsten (Popkin 2003: 293-294). Het woordenboek verscheen diverse malen in Bayle's leven maar geen enkel voorbeeld van een immorele atheïst werd ooit geleverd. Het langste artikel in het woordenboek is dat over Spinoza, die beschouwd wordt als een atheïst en waarvan men zegt dat het een van de meest morele mensen is die ooit heeft geleefd. Bayle meende dat een gemeenschap van atheïsten moreler kon zijn dan een gemeenschap van Christenen. Hij toonde dat historisch aan:

Christelijke gemeenschappen van de oudheid tot nu zat vol met boosdoeners, corrupte mensen, sexmaniakken, leugenaars en bedriegers... Zijn mening van de godsdienstige gemeenschap van het oude Israel was eigenlijk zelfs slechter dan die in zijn artikel over koning David. (Popkin 2003: 297)

Uiteraard zijn er vele moderne theïsten die sexmaniakken, leugenaars, bedriegers, massamoordenaars, verkrachters zijn en kinderen seksueel misbruiken, pensioenfondsen stelen, enz. Het lijkt duidelijk uit de feiten uit meer dan twee millenia dat geloof in God geen noodzakelijk noch voldoende voorwaarde is om moreel te zijn. En ondanks het feit dat filosofen onophoudelijk discussiëren over zowat elke thesis over elk onderwerp, waren de grote morele denkers van de wereld seculiere filosofen als Confucius, Aristoteles, Hume, Bentham/Mill en Kant, en geen God-adepten die niet in staat leken iets anders te produceren dan een goddelijke gebodstheorie.

Op God gebaseerde ethici hebben de morele vooruitgang maar weinig bijgebracht. Evenmin hebben ze gezorgd voor een beter begrip van onze morele aard. De meest op God gebaseerde ethische systemen waren weinig meer dan dogmatische lijsten van verboden, waarvan vele irrationeel waren. Hun voornaamste gevolg was dat leden van diverse groepen werden gebonden rond een reeks waarden, overtuigingen en rituelen, waarbij andere groepen als kwade vijanden werden beschouwd. Uiteraard hebben vele van deze systemen andere voordelen opgeleverd, zoals de valse hoop op onsterfelijkheid en de vermeende troostende gedachte dat alle lijden opzettelijk is en voor een hoger doel dient. Maar deze vermeende voordelen zijn allemaal zo onzeker dat de meeste op God gebaseerde groepen geweld van de meest onmenselijke en lelijkste aard hebben moeten gebruiken om de groep samen te houden. (Ik geef toe dat ondanks het moorden en martelen, de op God gebaseerde ethische groepen vaak mooie muziek, poëzie, schilderijen, beeldhouwwerken en architectuur produceerden. En de vrees die deze handelingen stimuleerde hield de groep samen voor vele fijne sociale functies.) Sommige van deze op God gebaseerde ethische systemen hebben zelfs voorgesteld dat elk van hun leden op een levenslange missie zouden gaan om alle ongelovigen te vermoorden en te plunderen. Mijn punt is niet dat atheïsten geen verschrikkelijke en onmenselijke dingen kunnen doen. Ze kunnen dat en hebben dat ook gedaan. (Denk aan Stalin, hoewel hij naar verluidt godsdienstig werd opgevoed, heeft hem dat weinig goeds gedaan.) Mijn punt is dat geloof in God geen voldoende voorwaarde is voor een moreel leven en dat dit gedeeltelijk te wijten is aan het feit dat op God gebaseerde denksystemen met veel meer dan moraliteit te maken hebben. Voor de op God gebaseerde groep is moraliteit uiteindelijk slechts een middel voor een doel.

Aan de andere kant heeft seculier ethisch denken, hoewel niet meer uniform dan de tegenstrijdige regels van de diverse godsdiensten op de planeet, zowel onze morele vooruitgang als ons begrip van de aard van moraliteit bevorderd. Er waren geen kantiaanse jihads, utilitaire inquisities of confuciaanse kruistochten. Het is echter waar dat atheïsten die eerder op politieke macht dan op ethisch inzicht zijn gericht – denk opnieuw aan Stalin – de rechten van de mens of vrijheid niet hebben bevorderd maar onze vooruitgang in de weg stonden. Kortom, er is geen reden om te denken dat een gemeenschap van atheïsten niet minstens zo moreel kan zijn als de bestaande gemeenschappen van theïsten. De enige manier dat we zeker kunnen zijn is als theïsme volkomen achterhaald wordt.

groei van het atheïsme

Hoe wijdverspreid is atheïsme? Het is moeilijk om die precies te bepalen aangezien vele mensen bang zijn om toe te geven dat ze atheïst zijn. (Denk aan de termen die vaak zijn gebruikt om de afkeuring over atheïsten uit te drukken: ketter, ongelovige, niet-gelover, heiden, godslasteraar, non-conformist, andersdenkende, afvallige, overloper en afvallige Katholiek, Jood, Moslim, enz. De heldere beweging probeert deze vijandelijkheid tegen te gaan door een positieve term te belichten voor wie niet bijgelovig is.) Er zijn echter aanwijzingen dat atheïsme groeit en meer wijdverspreid is dan de media en de godsdienstige leiders doen uitschijnen. Een wereldomspannend onderzoek in 2000 door het enquêtebureau Gallup toonde aan dat 8% niet denkt dat er een geest, persoonlijke God of levenskracht is. Nog eens 17% is niet zeker. Het Amerikaanse Godsdienstidentificatie-Onderzoek van 2001 stelde een groei vast in het segment van de volwassen bevolking dat "zonder godsdienst" opgaf. In 1990 zegden 14,3 miljoen Amerikanen of ruwweg 8% van de bevolking tot deze categorie te horen. Tien jaar later is de niet-gelovige bevolking gegroeid tot 29,4 miljoen, ruwweg 14,1% van alle Amerikanen. Dit kan deels te maken hebben met het feit dat in het onderzoek van 1990 de volgende vraag werd gesteld: Met welke godsdienst identificeert u zich? In 2001 werd 'indien van toepassing' toegevoegd aan de vraag.
In 2008 publiceerde de Pew Foundation de grootste en meest omvattende enquête over godsdienst ooit gehouden in de Verenigde Staten. Ongeveer 16% zegt dat ze tot geen enkele godsdienst horen. Dat betekent ongeveer 48 miljoen Amerikanen. Atheïsten vormen slechts 1,6% van het totaal aantal volwassenen; dat betekent minder dan 5 miljoen atheïsten in de Verenigde Staten met vijftig maal meer Christenen.

Het feit is dat meer dan de helft van de wereldbevolking, en meer dan 90% van de wetenschappers in de wereld, niet geloven in een persoonlijke God, en dus door vele Christenen, Joden en Moslims als atheïsten zouden worden beschouwd. Over de hele wereld zijn er ongeveer 1,1 miljard niet-godsdienstige mensen; slechts twee godsdiensten tellen meer mensen: het christendom met 2,1 miljard aanhangers en de islam met ongeveer 1,3 miljard.* Blijkbaar zijn er vele miljoenen mensen in de wereld die het bestaan van een soort bovennatuurlijk wezen of kracht aanvaarden, maar het maakt helemaal geen verschil in hun levens. Als ik mijn eigen atheïsme moet samenvatten, dan denk ik dat ik dit te zeggen heb: het bovennatuurlijke interesseert me niet. Ik heb ook geen interesse in wat anderen van het bovennatuurlijke geloven zolang hun geloof geen onverdraagzaamheid inhoudt tegenover hen die het er niet mee eens zijn. Dergelijke mensen zijn een bedreiging voor de maatschappij, een belemmering voor sociale vooruitgang en zijn ons respect niet waardig. Als we met de mensheid inzitten, dan is het onze plicht de onverdraagzamen van de wereld tegen te gaan, ongeacht welke god hen beveelt zich onmenselijk te gedragen. We hebben ook de plicht om die mensen tegen te gaan die het verbod van kindermisbruik menen te mogen negeren omwille van hun geloof in een of andere god. Beweren dat kinderen niet zouden moeten worden opgevoed met wetenschap of met een godsdienst van iemand anders —of dat ze niet de noodzakelijke medische behandeling mogen krijgen— omdat hun ouders geloven dat God het verbiedt, is onaanvaardbaar.