De term 'bijna-doodervaring', of BDE, verwijst naar een breed spectrum aan ervaringen waarvan verslag is uitgebracht door sommige mensen die de dood nabij zijn geweest of die dachten dat ze gingen sterven. Er is niet zoiets als één enkele gezamenlijke ervaring waarvan iedereen die een BDE heeft gehad verslag uitbrengt. Zelfs de ervaringen die parapsychologen het meest interesseren – zoals de “mystieke ervaring”, de ervaring van het “licht aan het einde van de tunnel”, de ervaring van “de film van je leven te zien krijgen” en de buitenlichaamtreding – komen zelden samen voor in bijna-doodervaringen. De term BDE wordt echter vaakst gebruikt om te verwijzen naar een buitenlichaamtreding (of uittreding) op een moment dat men dicht bij de dood staat. Beide soorten ervaringen werden al aangedragen als ondersteuning van het geloof in niet-lichamelijke geesten en in een voorzetting van het bestaan na de dood.

Een van de eersten die populariteit gaf aan het idee dat uittreding een bewijs is van leven na de dood was de Zwitserse psychiater Elisabeth Kübler-Ross (1926-2004). Ze is beroemd om haar werk over de dood en sterven, hoewel ze achteraf beweerde dat de dood niet bestaat. De dood was volgens haar één van diverse mogelijke overgangen doorheen doordringbare grenzen, wat dat ook mag betekenen. Op een bepaald punt in haar carrière betekende het een beetje rondscharrelen in het spiritualisme en een medium uitnodigen om als een soort materialisatie van de overledene seks te hebben met de rouwende weduwes.* Kübler-Ross schreef over haar eigen uittredingen (hallucinaties?) met "entiteiten uit het hiernamaals”:

Ik zag mezelf, opgestegen uit mijn fysiek lichaam. ... Het was alsof een heleboel liefhebbende wezens al de vermoeide delen uit me wegnamen, zoals automecaniciens in een garage. ... Ik had een ongelofelijk gevoel dat ik, zodra alle delen vervangen zouden zijn, … jong en fris en vol energie zou zijn....

Na de dood worden mensen opnieuw compleet. De blinden kunnen zien, de doven kunnen horen, kreupelen zijn niet langer kreupel nadat al hun levensfuncties opgehouden hebben te bestaan.*

Wat ook haar reputatie was als wetenschapper en arts, er een kerel bij halen om geslachtsgemeenschap te hebben met je cliënten wordt in sommige kringen beschouwd als onprofessioneel, zelfs als die kerel een tulband draagt. Toen een aantal van de weduwes vaginale infecties kregen na deze sessies, leek het erop dat de reputatie van Kübler-Ross als expert op het gebied van wetenschappelijk bewijs voor het leven na de dood voorgoed beschadigd was. Voor de hele beweging was het nog een geluk dat er nog andere aanhangers waren die, in vergelijking met Kübler-Ross, toonbeelden zijn van deugdelijkheid, integriteit en gezond verstand.

Raymond Moody (1944-), een arts en doctor in de psychologie, wordt door velen beschouwd als de vader van de hedendaagse BDE-beweging. Hij bedacht de uitdrukking 'bijna-doodervaring' en heeft verschillende boeken geschreven over het onderwerp leven na de dood. Heel bekend is de lijst die hij samenstelde met kenmerken die hij beschouwt als typisch voor een bijna-doodervaring. Volgens Moody is er bij een doorsnee BDE sprake van een zoemend of rinkelend geluid, een indruk van zaligmakende vrede, een gevoel uit het eigen lichaam te zweven en het vanuit de hoogte te bekijken, bewegen door een tunnel naar een helder licht, overledenen ontmoeten (heiligen, Jezus, engelen, Mohammed), de film van je leven zien afspelen voor je ogen, en het allemaal zo heerlijk vinden dat je niet naar je lichaam terug wil keren. (De typische ervaring die hij beschrijft omvat echter geen trips naar een herstelplaats voor lichamen of seksuele ontmoetingen met geesten.) Deze samengestelde ervaring is gebaseerd op interpretaties van getuigenissen en anekdotes van dokters, verpleegkundigen en patiënten. Kenmerkend voor het werk van Moody is het flagrante weglaten van gevallen die niet passen in zijn hypothese. Als we Moody mogen geloven, heeft niemand die de dood nabij is geweest een gruwelijke ervaring gehad. En toch "zijn volgens schattingen niet minder dan 15 procent van de BDE’s hels" (Blackmore 2004: 362). Over gevallen waarbij christenen Mohammed ontmoeten of moslims Jezus ontmoeten of joden Goeroe Nanak ontmoeten, als die al bestaan, zijn er nog geen verslagen gepubliceerd.

Er zijn talrijke verslagen van slechte BDE-gevallen waarbij er sprake is van foltering door elfen, reuzen, demonen, enz. Sommige parapsychologen beschouwen deze goed en slechte BDE’s als bewijs voor het bestaan van de mythische plaatsen die de bestemming kunnen zijn voor het leven na de dood in diverse religies. Zij geloven dat sommige zielen hun lichaam verlaten en voor een tijdje naar een andere wereld gaan alvorens terug te keren naar het lichaam. Als dat zo is, welke conclusie moeten we dan trekken uit het feit dat de meeste mensen op het moment dat ze de dood naderen noch het hemelse noch het helse scenario meemaken? Is dat feit het bewijs dat er geen leven na de dood is of dat het einde voor de meeste mensen een soort niet-bestaan is in een of ander voorgeborchte? Een dergelijke redenering staat op een lijn met de veronderstelling dat dromen waarin iemand zichzelf lijkt waar te nemen buiten z’n bed het bewijs zijn dat de ziel of de geest echt het lichaam verlaat tijdens de slaap, zoals sommige New Age gnostici geloven.

Het weinige onderzoek dat er op dit terrein al verricht is, wijst erop dat de ervaringen die Moody opsomt als typisch voor de BDE toegeschreven kunnen worden aan toestanden van de hersenen die worden veroorzaakt door hartstilstand en anesthesie (Blackmore 1993). Daarenboven hebben veel mensen die de dood niet nabij waren ervaringen gehad die identiek lijken aan BDE’s, bv. gevechtspiloten tijdens een intense versnelling. Andere ervaringen kunnen het resultaat zijn van psychose (door een ernstig neurochemisch onevenwicht) of gebruik van drugs zoals hash, LSD of DMT.

Een 13 jaar durend Nederlands onderzoek onder leiding van Pim van Lommel en gepubliceerd in Lancet wees uit dat 12 procent (of 18 procent, afhankelijk van de manier waarop BDE wordt gedefinieerd) van 344 gereanimeerde patiënten bij wie de hart- en/of ademhalingsfunctie tijdelijk was gestopt, aangaf een BDE te hebben meegemaakt. Als de oorzaak van de BDE louter fysiologisch zou zijn, zo redeneerden de onderzoekers, dan hadden alle patiënten er een moeten ervaren omdat ze zich in een gelijkaardige situatie bevonden. Psychologische factoren werden door de onderzoekers als oorzaak uitgesloten alsook de medicijnen die de patiënten namen. Toch geloven de onderzoekers dat

neurofysiologische processen een of andere rol moeten spelen bij BDE. Gelijkaardige ervaringen kunnen worden opgewekt door elektrische stimulatie van de temporale kwab (en bijgevolg van de hippocampus) tijdens neurochirurgie voor epilepsie, met hoge niveaus van koolstofdioxide (hypercarbia), en in geval van verminderde hersendoorbloeding die resulteert in lokale cerebrale hypoxie, zoals bij intense versnelling tijdens de training van gevechtspiloten, of zoals bij hyperventilatie gevolgd door het Valsalva-manoeuvre. Door ketamine opgewekte ervaringen die het gevolg zijn van een blokkage van de NMDA-receptor, en de rol van endorfine, serotonine en enkefaline werden ook vermeld, evenals BDE-achtige ervaringen na het gebruik van LSD, psilocarpine en mescaline. Deze opgewekte ervaringen kunnen bestaan uit verlies van bewustzijn, buitenlichaamtreding en de waarneming van licht of flarden herinneringen uit het verleden. Deze herinneringen bestaan echter uit gefragmenteerde en willekeurige beelden, helemaal anders dus dan de panoramische levensfilm die kan voorkomen bij een BDE. Bovendien worden transformationele processen die leiden tot een veranderde levensvisie en het verdwijnen van de angst om te sterven maar zelden gerapporteerd na kunstmatig opgewekte ervaringen.

Opgewekte ervaringen zijn bijgevolg niet identiek aan BDE...

De Nederlandse onderzoekers lijken dus aan te nemen dat significante veranderingen van levensvisie niet voorkomen bij mensen die kunstmatig opgewekte BDE-achtige ervaringen hebben gehad. Ze dragen geen bewijs aan dat dit werkelijk het geval is. De juiste conclusie zou in elk geval moeten zijn dat het effect van opgewekte ervaringen niet identiek is aan het effect van "natuurlijke" BDE’s.

We mogen niet aannemen dat degenen die aangeven een BDE te hebben meegemaakt ook werkelijk een BDE hebben meegemaakt. En evenmin kunnen we zeker zijn dat alleen degenen die aangeven een BDE te hebben meegemaakt de enigen zijn die er echt een hebben meegemaakt. Twee van de deelnemers in de Nederlandse studie gaven pas twee jaar na de gebeurtenissen voor het eerst aan een BDE te hebben meegemaakt. Het is mogelijk dat het hierbij gaat om valse herinneringen. Verslagen van de vermeende “typische BDE” zijn wijdverspreid in de media. Ervaringen na de BDE kunnen gebruikt worden om een BDE te construeren na de feiten. Het is ook mogelijk dat anderen een BDE hebben gehad maar het zich niet meer herinneren door hersenbeschadiging, door verschillende hoedanigheden van het kortetermijngeheugen of door de timing van hun ervaring ten opzichte van het moment waarop ze opnieuw bij bewustzijn komen. In de Nederlandse studie was volgens van Lommel en zijn collega’s leeftijd het enige significante verschil tussen degenen die een BDE hadden beleefd en degenen bij wie dat niet het geval was: de mensen die een BDE hadden meegemaakt waren doorgaans jonger. Dit is deels het gevolg van het feit dat oudere patiënten met een hartstilstand een grotere kans hebben om te overlijden dan jongere, maar het kan deels ook het gevolg zijn van het feit dat jongere hersenen meer kans hebben op goed werkend kortetermijngeheugen dan oudere hersenen.

De Nederlandse onderzoekers vonden andere significante verschillen tussen degenen die aangaven een BDE te hebben meegemaakt en degenen bij wie dat niet het geval was, maar die traden op na de ervaring. "BDE-ers waren veel empathischer en begripvoller voor anderen geworden sinds hun BDE dan de niet-BDE-ers. En de BDE-ers hadden zowel meer appreciatie gekregen voor de gewone dingen van het leven als veel minder angst voor de dood dan de niet-BDE-ers." Dit verschil ondersteunt alleszins de claim dat een BDE een diepgaande en mogelijks levensveranderende ervaring is. Maar het ondersteunt niet de bewering van de Nederlandse onderzoekers dat er belangrijk bewijs wordt geleverd voor het bestaan van het bewustzijn buiten de hersenen.

Moody is er echter zeker van dat BDE’s het bewijs zijn van het bestaan van bewustzijn buiten de hersenen. Hij denkt dat BDE’s het bestaan bewijzen van leven na de dood. Skeptici daarentegen geloven dat BDE’s kunnen worden verklaard door neurochemie en dat ze het gevolg zijn van hersentoestanden die optreden bij een stervend, dementerend, extreem geprikkeld of gedrogeerd brein. Zo vormen bijvoorbeeld neuraal lawaai en retino-cortical mapping de verklaring voor de gemeenschappelijke ervaring van de passage door een tunnel vanuit de duisternis naar een helder licht. Volgens Susan Blackmore, speculeerde visionair onderzoeker Dr. Tomasz S. Troscianko van de universiteit van Bristol:

Als je zou beginnen met een kleine hoeveelheid neuraal lawaai en dat dan stapsgewijs verhoogt, dan zou het effect een licht in het midden zijn dat groter en groter wordt en bijgevolg steeds dichterbij... de tunnel zou lijken te bewegen bij het toenemen van het geluidsniveau terwijl het licht groter en groter wordt... Als het lawaai in de hele cortex voldoende hoog wordt, dan zou het lijken dat het hele gebied gevuld is met licht. (Blackmore 1993: 85)

Blackmore schrijft het gevoel van extreme vredigheid bij de BDE toe aan het vrijkomen van endorfines als reactie op de extreme stress van de situatie. Het zoemende of rinkelende geluid wordt toegeschreven aan hersenanoxia en de daaruit volgende effecten op de verbindingen tussen de hersencellen.

Dr. Karl Jansen heeft BDE’s gereproduceerd met ketamine, een snelwerkend hallucinogeen, dissociatief verdovingsmiddel.

De verdoving is het gevolg van het feit dat de patiënt zodanig 'gedissocieerd' is en 'verwijderd van zijn lichaam’ dat het mogelijk is om chirurgische ingrepen uit te voeren. Dit is compleet verschillend van het verlies van bewustzijn dat het gevolg is van conventionele anesthesie, hoewel ketamine ook een uitstekende pijnstiller is op een andere manier (dus niet door dissociatie). Ketamine is verwant aan fencyclidine (PCP). Beide verdovende middelen zijn arylcyclohexylamines – ze zijn geen opioïden en ze zijn niet verwant aan LSD. In tegenstelling tot PCP is ketamine relatief veilig en het is veel sneller uitgewerkt. In de geïndustrialiseerde landen wordt het nog steeds gebruikt als verdovingsmiddel bij kinderen en in de derde wereld bij patiënten van alle leeftijden omdat het goedkoop en eenvoudig te gebruiken is. Anesthesisten verhinderen dat patiënten een BDE beleven door ook kalmeringsmiddelen toe te dienen die veeleer 'echte' bewusteloosheid veroorzaken dan dissociatie.

Volgens Dr. Jansen kan ketamine alle belangrijke kenmerken van de BDE reproduceren, waaronder de reis door een donkere tunnel naar het licht, het gevoel dat men dood is, het communiceren met God, hallucinaties, uittredingen, vreemde geluiden, enz. Dit bewijst niet dat een BDE niets anders is dan een verzameling fysieke verschijnselen, en evenmin bewijst het dat er leven na de dood is. Maar het bewijst wel dan een BDE geen overtuigend bewijs is voor het geloof in een op zichzelf staand bewustzijn of het geloof in een leven na de dood.

Hersenactiviteit kan dan wel een verklaring zijn voor heldere lichten, zoemende geluiden en hallucinaties, toch blijven een aantal aspecten van sommige BDE’s raadselachtig. Sommige mensen waarvan men denkt dat ze dood zijn, maar die in werkelijkheid alleen maar bewusteloos zijn, herstellen en herinneren zich dingen zoals het neerkijken op hun eigen lichaam terwijl artsen en verpleegkundigen daaraan aan het werken zijn. Ze herinneren zich conversaties die gevoerd werden terwijl ze "dood" waren. Ze waren uiteraard helemaal niet dood, maar ze hebben het gevoel dat hun geest of hun ziel hun lichaam had verlaten en het van bovenaf observeerde. De mensen die een dergelijke ervaring hebben gehad - en dat zijn er velen – ervaren dit vaak als een moment dat hun leven heeft veranderd. Ze zijn ervan overtuigd dat dergelijke ervaringen het bewijs zijn van leven na de dood door middel van een lichaamloos bewustzijn. Maar is dat ook werkelijk zo? Het is best mogelijk dat een persoon dood lijkt volgens onze zintuigen of onze medische toestellen maar toch nog waarneemt. De visuele en auditieve waarnemingen die zich voordoen tijdens de toestand van bewusteloos-maar-toch-waarnemend kunnen worden geproduceerd door verschillende neuronale mechanismen. Er is nu zelfs bewijs dat patiënten die hersendood lijken in werkelijkheid in staat kunnen zijn om bewust te denken. In 2006 voerden wetenschappers in het Verenigd Koninkrijk en in België een fMRI-scan (functional magnetic resonance imaging) uit bij een vrouw die zich in een vegetatieve toestand bevond en stelden vast dat sommige delen van haar hersenen activiteit vertoonden wanneer ze werd aangesproken en wanneer haar gevraagd werd om te denken aan dingen zoals tennis spelen.

De wetenschappers waren verbijsterd toen ze vaststelden dat de patronen van haar hersenactiviteit, als respons op de vraag om zich voor te stellen dat ze aan het tennissen was of rond aan het lopen in haar huis, dezelfde geactiveerde corticale gebieden vertoonden op een manier die niet te onderscheiden was van hetgeen was vastgesteld bij gezonde vrijwilligers.*

Het is mogelijk dat de ziel het lichaam verlaat, maar het is niet nodig te stellen dat een ziel de verklaring zou zijn van deze ervaringen. In elk geval,

we weten nog niet of een BDE plaatsvindt net voor de crisis, tijdens de crisis, er net na of zelfs tijdens het proberen beschrijven van het gebeurde aan iemand anders. Als duidelijk bewustzijn echt mogelijk zou zijn bij een EEG die duidt op een totale afwezigheid van activiteit, dan zou dit inderdaad leiden tot een nieuwe kijk op de relatie tussen geest en hersenen, maar tot op heden werd dit nog niet afdoend aangetoond. (Blackmore 2004: 364)

Blackmore schreef dit in 2004 maar, zoals hierboven aangegeven, in 2006 toonden wetenschappers aan dat hersenactiviteit mogelijk was bij iemand in een vegetatieve toestand, wat niet identiek is aan een vlakke EEG maar wat wel aangeeft dat sommige machines hersenactiviteit kunnen detecteren wanneer andere dat niet doen.* Bijgevolg kunnen de onderzoekers die beweren dat hun patiënten herinneringen hebben aan ervaringen die ze meemaakten toen ze dood waren (zoals Dr. Michael Saborn in het geval van musica Pam Reynolds) het bij het verkeerde eind hebben. Het feit alleen dat hun machines niets registeren kan niet aangenomen worden als onweerlegbaar bewijs dat een persoon dood is, en evenmin kan het worden aangenomen als onweerlegbaar bewijs dat de patiënt zich niet op een of ander niveau bewust is van wat er zich in de omgeving afspeelt. Het is mogelijk dat bewusteloze patiënten horen wat chirurgen en verpleegkundigen zeggen, zelfs als de medische apparatuur geen enkele hersenactiviteit registreert.*

Daarenboven zijn BDE-verhalen nu bekend bij een groot publiek. Als er dus nieuwe verhalen opduiken over “naar het licht gaan” enz., bestaat de mogelijkheid dat deze verhalen beïnvloed zijn door voorgaande verhalen. Het is mogelijk dat ze weergeven wat men tevoren heeft gehoord en wat men verwacht. Dergelijke ervaringen zijn nog altijd heel levensecht vanuit het standpunt van die persoon en kunnen ingrijpende effecten hebben op hem/haar, maar ze mogen niet beschouwd worden als onomstotelijk bewijs van de scheiding van lichaam en geest, en al helemaal niet van leven na de dood. (In elk geval zullen dergelijke buitengewone claims die niet kunnen worden ontkracht de verkoopcijfers niet schaden van Dr. Saborns boek of Reynolds' platen, een feit dat ook de webmaster van de website near-death.com blijkbaar niet ontging, want daar wordt promotie gevoerd voor het boek van Saborn en de cd’s van Reynolds. Toegegeven: deze website is niet even flagrant als de man met de tulband bij Kübler-Ross die in de plaats trad van de geesten van de overleden echtgenoten, maar de website doet ook niets om het geloof in het professionalisme of de betrouwbaarheid van Saborns verslagen aan te moedigen.)

Eén manier om te vermijden dat verhalen ‘bezoedeld’ worden, is ontwikkeld door Prof. Dr. Jan Holden van de University of North Texas. Ze ontwierp een experiment waarbij een geopende laptop aan het plafond wordt opgehangen met de achterkant van het scherm naar de vloer gericht. Haar echtgenoot ontwikkelde een softwareprogramma dat een reeks animaties produceerde. Als een patiënt beweert boven zijn of haar lichaam op de operatietafel te hebben gezweefd, dan zou die het computerscherm moeten hebben gezien en in staat moeten zijn om te vertellen wat daarop te zien was. Dr. Bruce Greyson heeft dit protocol blijkbaar al gebruikt gedurende een paar jaar, maar tot op heden nog geen resultaat van enige betekenis gerapporteerd.

Raymond Quigg Lawrence (Blinded by the Light), ten slotte, denkt dat BDE’s het werk van Satan zijn. Kan zijn, of misschien gaat het om telepathische communicatie van artsen, verpleegkundingen of anderen die zich in de directe omgeving bevinden van de persoon die de dood nabij is. Of misschien zijn het gemengde herinneringen die werden samengesteld door na het ontwaken anderen te horen praten over wat er gebeurde op het moment dat men de dood nabij was. Of het gaat om herinneringen van gegevens die onbewust werden opgeslagen omdat men zich in een groggy toestand bevond wanneer ze te horen waren. Met de kennis waarover we nu beschikken lijkt het voorbarig om te beweren dat BDE’s een sterk bewijs vormen voor het bestaan van een ziel die onafhankelijk is van het lichaam en voor het bestaan van een leven na de dood waarin die ziel dan terechtkomt en dat toevallig samenvalt met de geloofsovertuigingen en wensen van degene die een bijna-doodervaring meemaakt.

Met dank aan Jan Van Haver voor de vertaling van dit artikel.