De theorie over bioritme is een pseudowetenschappelijke theorie die beweert dat ons dagelijkse leven aanmerkelijk wordt beïnvloed door ritmische cycli. Deze worden onderzocht door wetenschappers die biologische cycli bestuderen. Biochronometrie is de wetenschappelijke studie van ritme en biologische cycli of "klokken", zoals bijvoorbeeld de circadiaanse ritmes (van het Latijnse circa en dia; letterlijk "ongeveer een dag"). Circadiaanse ritmes zijn gebaseerd op zaken zoals onze gevoeligheid voor licht en duister die verband houdt met onze slaappatronen.

Bioritme is niet gebaseerd op de wetenschappelijke studie van biologische organismen. De cycli van de bioritmetheorie komen niet voort uit een wetenschappelijke studie en zijn zelfs nooit gestaafd door iets dat zelfs maar op een wetenschappelijke studie lijkt. De theorie bestaat al meer dan honderd jaar maar nog nooit is er in een wetenschappelijk tijdschrift een artikel verschenen dat de theorie ondersteunt. Er zijn ongeveer dertig studies verschenen die de bioritmetheorie onderbouwden maar die vertoonden allemaal methodologische en statistische fouten. Een analyse van zo'n 134 bioritmestudies wees uit dat de theorie niet gegrond is. Het is empirisch toetsbaar en werd ongeldig bevonden. Terence Hines, een Amerikaanse professor neurologie, gelooft dat dit impliceert dat de bioritmetheorie "strikt genomen geen pseudowetenschappelijke theorie kan worden genoemd". Maar wanneer de voorstanders van een empirisch toetsbare theorie weigeren hun theorie op te geven ondanks de overweldigende bewijzen van het tegendeel, dan is het redelijk om de theorie pseudowetenschappelijk te noemen. De aanhangers van een dergelijke theorie blijven immers volhouden dat hun theorie wetenschappelijk is.

Meer dan op wetenschappelijke studie is de bioritmetheorie gestoeld op numerologie, getuigenissen en het Forer-effect, massamedia-hype en intuïtie. De theorie werd in de negentiende eeuw bedacht door Wilhelm Fliess, een Berlijnse arts, numerologist en goede vriend en patiënt van Sigmund Freud (zie noot 1). Fliess was gefascineerd door het feit dat hij om het even welk gekozen getal in een formule kon plaatsen met het getal 23, 28 of beide (zie noot 2). Het laatste getal bracht hij in verband met menstruatie en dus was hij overtuigd dat de hele wereld werd beheersd door 23 en 28. Hij noemde de periode van 28 dagen "vrouwelijk" en de periode van 23 dagen "mannelijk". In 1904, jaren na de ontdekking van Fliess, beweerde Dr. Hermann Swoboda van de Universiteit van Wenen dat hij zelfstandig deze zelfde periodes had ontdekt. In de jaren 1920, voegde Alfred Teltscher, een Oostenrijkse leraar techniek, de 'verstand'-periode toe van 33 dagen, gebaseerd op zijn waarneming dat het werk van zijn studenten een patroon vertoonde van 33 dagen. De theorie werd gepopulariseerd in de jaren 1970 door George Thommen (Is This Your Day? How Biorhythm Helps You Determine Your Life Cycles) en Bernard Gittleson (Biorhythm--A Personal Science). Geen van beide boeken leverde een wetenschappelijk bewijs voor bioritmen. Ze bestonden uit weinig meer dan speculatie en anekdotes. Maar nu was het statische idee van periodes vervangen door een dynamisch begrip van cycli, die nu bekend staan als de fysieke, emotionele en intellectuele cycli. Interessant genoeg werd de "vrouwelijke" periode niet alleen de emotionele cyclus, van zowel mannen als vrouwen wordt verondersteld dat ze dezelfde fysieke en emotionele cycli van resp. 23 en 28 dagen delen. Men zou verwachten dat, gezien de verschillende hormonale aard van man en vrouw, de geslachten op z'n minst enkele unieke en verschillende ritmische cycli zouden hebben.

De laatste jaren zijn nieuwe cycli toegevoegd. Er is de intuïtieve cyclus van 38 dagen, de esthetische cyclus van 43 dagen en de spirituele cyclus van 53 dagen. Anderen beweren dat er cycli zijn die de eerste drie cycli combineren. De passiecyclus is de combinatie van de fysieke met de emotionele cyclus. De wijsheidscyclus is de combinatie van de emotionele cyclus met de intellectuele. En de meesterschapscyclus is de combinatie van de intellectuele cyclus met de fysieke cyclus.

Hoeveel cycli er ook mogen zijn, de functie is dezelfde: voorspellen wat voor een dag we zullen hebben.

Volgens de theorie staan de bioritmecycli bij de geboorte op nul. Als u uw geboortedatum geeft, kan voor om het even welke dag worden vastgesteld hoeveel dagen u hebt geleefd en waar u zit in elke cyclus. Een bioritmegrafiek voor 24 juli 1998 van iemand die vier dagen eerder is geboren zou er als volgt uitzien:

Bioritmegrafiek voor een baby van 4 dagen, geboren op 20/7/1998

De lijn door het midden is de nullijn. Een cyclus zit in een positieve fase wanneer deze zich boven de nullijn bevindt, en is in een negatieve fase wanneer deze zich onder de nullijn bevindt. Een cyclus begint met een stijging in het eerste kwart van de cyclus, daalt daarop een halve cyclus en stijgt in het laatste kwart opnieuw tot de nullijn. De cycli herhalen zich tot u sterft. Mocht u leven tot uw 58 jaar en 66 dagen, dan bereikt u het punt waarop de fysieke, emotionele en intellectuele cycli allemaal terug op de nullijn staan. Voor sommigen is dit het moment van de 'hergeboorte'.

De theorie zegt dat wanneer bepaalde punten op de cycli worden bereikt, iemand extra krachtig of extra zwak kan zijn. "Wisselpuntdagen", wanneer cycli stijgend of dalend de nullijn oversteken, zijn 'kritieke' dagen. De prestaties op kritieke dagen zijn naar verluidt heel zwak. Zo is zelfs al voorspeld dat mensen bijzonder makkelijk ongelukken hebben op kritieke dagen. Deze empirische bewering is makkelijk te toetsen. Het werd getest en onjuist bevonden. 

Maar om het even welke cyclus met een even aantal dagen heeft geen dag die in het midden ligt, een feit waardoor sommige 'experts' foute berekeningen maakten. Bijvoorbeeld, een bepaalde 'wetenschappelijke studie' beweerde bioritmebeweringen te ondersteunen die zeiden dat ongeveer 60% van alle ongelukken voorvallen op kritieke dagen, terwijl de kritieke dagen maar 22% uitmaken van alle dagen. Als dat klopt, dan zou dit statistische gegeven niet te wijten zijn aan toeval en zouden voorstanders van bioritme verantwoord kunnen stellen dat hun theorie werd bevestigd door deze gegevens. Maar, bioritme-aanhangers rekenen de dag voor en de dag na een wisselpuntdag mee als 'kritieke' dag. Een juist statistisch gegeven zou dan iets zijn als ongeveer 60% van alle ongelukken vallen voor op ongeveer 60% van alle dagen, wat volgens de waarschijnlijkheid te verwachten is (Hines).

In ieder geval, volgens de theorie zijn kritieke dagen de dagen die u op voorhand wil kennen zodat u er zich op kunt voorbereiden. Bijvoorbeeld, als u een test gepland hebt dat uw denkvermogen zal testen, zorg er dan voor dat u die test niet doet op een dag waarop uw intellectuele cyclus kritiek is of laag staat. Uiteraard is het voor een goede test ook nodig dat u goed slaapt, algemeen gezond bent, goed eet en studeert, maar die voorbereidingen zijn zinloos als uw intellectuele cyclus zich niet op een goed niveau bevindt. Anderzijds, als u een langeafstandsloper bent, zorg er dan voor dat de volgende wedstrijd op een dag valt waarop uw fysieke cyclus piekt. Uiteraard moet u ook goed trainen, eten, voldoende rusten, gezond zijn, enzovoort, maar dit is niet voldoende indien uw fysieke cyclus zich op het verkeerde niveau bevindt.

De allerslechtste dag volgens de klassieke theorie (met 3 cycli), is de "drievoudige kritieke"', de dag waarop alle drie cycli zich op een wisselpunt bevinden. De op een na slechtste dag is de "dubbele kritieke", wanneer twee cycli zich samen op een wisselpunt bevinden. U kunt zich voorstellen dat het ingewikkeld wordt om al deze cycli te volgen op de grafiek. Maar u hoeft geen wiskundige te zijn om er achter te komen dat het makkelijk zal zijn om gevallen te vinden die de theorie volgen. Bijvoorbeeld, de fysieke cyclus telt 23 dagen. Dat betekent dat er elke 11,5 dagen een wisselpuntdag is voor deze cyclus. Dus, de kansen om een hartaanval te krijgen op een fysieke wisselpuntdag is ongeveer 1 op 11. De meeste mensen zullen het er wel mee eens zijn dat een hartaanval krijgen telt als een slechte fysieke dag. Een geldige empirische test zou er uit bestaan gegevens te verzamelen van mensen die een hartaanval hebben gekregen en te onderzoeken of beduidend meer dan 9% (1 op 11) van hen een hartaanval kreeg op een fysieke wisselpuntdag. In plaats hiervan is het bewijs dat de gelovers leveren een anekdote over acteur Clark Gable of iemand anders die een hartaanval kreeg op een wisselpuntdag. Jaarlijks zijn er duizenden mensen die een hartaanval krijgen en volgens de kansberekening zou 1 op de 11 die krijgen op een wisselpuntdag. Het is dus normaal en niet buitengewoon om diverse individuele gevallen te vinden van mensen die ernstige fysieke problemen hebben op een kritieke fysieke dag.

Het wordt nog erger als u weet dat bioritmisten doorgaans de dag voor en na een kritieke dag als even slecht beschouwen als de kritieke dag zelf. Dat betekent dat 6 op de 23 dagen (26% van alle dagen) gevaarlijke dagen zijn voor het lichaam. Dat betekent dat de kansen ongeveer 1 op 4 zijn dat om het even wie die een slechte dag heeft zich op een "kritiek" punt bevindt. Met dergelijke kansen zijn anekdotes van mensen met een slechte fysieke dag volkomen onbeduidend. Een zinvolle test van de theorie zou zijn om de slachtoffers van hartaanvallen te onderzoeken. Als beduidend meer dan 25% van hen een hartaanval had op een kritieke dag, dan heeft u een verhaal.

Een andere typerende maar zinloze test van de theorie is elke dag in een grafiek te gieten en een dagboek bij te houden van uw dagen. Actrice Susan St. James, een fervente gelover in bioritme, beschreef in een talkshow op televisie hoe ze dit had gedaan. Als haar grafiek een emotioneel lage dag voorspelde, dan voelde ze zich die dag slecht. Als haar grafiek een fysiek hoge dag voorspelde, dan voelde ze zich die dag uitstekend. Op een dag dat haar intellectuele cyclus laag stond, kon ze zich op niets concentreren. In sommige kringen staat dit bekend als de zichzelf waarmakende voorspelling, de kracht van de suggestie of persoonlijke validatie. Hoe u het ook noemt, het is geen wetenschap.

Om aan te tonen hoe dwaas het is om persoonlijke validatie te gebruiken als bewijs voor de theorie over bioritme, vroeg James Randi aan George Thommen, voorzitter van Biorhythm Computers, Inc., om een bioritmegrafiek te maken voor Randi en zijn secretaresse. Een van de luisteraars van het radioprogramma van Randi werd geselecteerd voor een experiment. Ze kreeg haar persoonlijke grafiek en moest gedurende twee maanden een dagboek bijhouden en haar grafiek naar waarheid beoordelen. Ze meldde dat de grafiek voor "minstens 90% juist was geweest". De sluwe Randi had haar eigenlijk zijn eigen grafiek gestuurd. Hij vertelde de luisteraarster dat hij dit per ongeluk had gedaan. Ze ging akkoord om haar dagboek te toetsen aan haar echte grafiek die Randi haar vervolgens gaf. Ze meldde dat de nieuwe grafiek nog juister was dan de eerste. Maar in werkelijkheid had ze deze maal de grafiek van Randi's secretaresse gekregen. Het passen van gegevens in oude voorspelde gegevens is gemeengoed in pseudowetenschappen zoals astrologie, grafologie en bioritme. Soortgelijke testen van persoonlijke validatie, met identieke resultaten, werden uitgevoerd op astrologische grafieken en grafologische lezingen. Het bedrog van Randi had uiteraard niet de bedoeling om het bioritme te weerleggen, maar om aandacht te vragen voor het probleem van persoonlijke validatie, iets wat aanhangers van astrologie, grafologie en bioritme voortdurend over het hoofd zien.

Bioritme is een pseudowetenschap omdat er al diverse zinvolle tests zijn uitgevoerd die alle faalden om de theorie te staven (Hines, 1991) en de aanhangers toch weigeren om de theorie op te geven. Voorstanders van deze theorie beschikken over meer ad-hochypotheses om bewijzen van het tegendeel weg te wuiven dan Finland meren heeft. Mijn favoriet is de hypothese dat sommige mensen soms of altijd aritmisch zijn. Elk geval waarin de werkelijkheid niet met de grafiek overeenkomt kan uitgelegd worden met aritmisch zijn. Een andere favoriete ad hoc-hypothese is de bewering van Thommen dat hij met 95% zekerheid het geslacht van een kind kan voorspellen aan de hand van de bioritmes van de moeder. Als bij bevruchting de fysieke (mannelijke) cyclus van de vrouw hoog stond, is het een jongen. Als bij de bevruchting de emotionele (vrouwelijke) cyclus van de moeder hoog stond, dan is het een meisje. W.S. Bainbridge, een professor sociologie aan de Universiteit van Washington, voerde een studie uit en besloot dat men met de bioritmetheorie 50% kans had om het geslacht van een kind te voorspellen, hetzelfde als het opwerpen van een munt. Een verdediger van de theorie suggereerde aan Bainbridge dat de gevallen waarbij de theorie foutief was waarschijnlijk heel wat homoseksuelen bevatte die een onbepaalde seksuele identiteit hebben!

Als de anekdotes niet passen in de theorie, dan wijzigen de bioritmisten de theorie. Zo probeert men de theorie vaak te bewijzen met grote prestaties die zijn verricht wanneer een cyclus hoog stond. Verdedigers van de theorie verwijzen doorgaans naar het voorbeeld van zwemmer Mark Spitz (geboren op 10/02/1950) die zich in een hoge fysieke en emotionele fase bevond toen hij op de Olympische Spelen van 1972 zeven gouden medailles won.

Bioritmegrafiek van Mark Spitz (5/9/1972)

Merk hoe de emotionele en fysieke cycli van Spitz op 5 september, de dag van de aanslag in München, hoog samenkwamen. Toeval? Niet voor onderzoekende geesten. Ongetwijfeld is dit een bewijs van synchroniciteit. Merk ook hoe de intellectuele cyclus in deze periode heel laag stond. Waarom niet besluiten dat hij fysiek goed presteerde omdat zijn hersenen inactief waren? Hij was dus niet gehinderd door serieus nadenken, wat een bekende hinderpaal is voor atletische prestaties. De meest eenvoudige theorie is natuurlijk dat hij het zo goed deed omdat hij een verdomd goed zwemmer was! Mensen met een voorliefde voor logica maken wel eens gebruik van het scheermes van Occam om bioritme te verwerpen ten voordele van deze meer eenvoudige uitleg.

Reggie Jackson, de Amerikaanse baseball-legende geboren op 18 mei 1946, beleefde het hoogtepunt in zijn uitmuntende carrière op 18 oktober 1977. Op die dag sloeg hij drie opeenvolgende homeruns op drie opeenvolgende worpen van drie verschillende werpers en hielp zo de New York Yankees aan de winst tegen de Los Angeles Dodgers. Op die dag bevonden alle cycli van Jackson zich helemaal onderaan de grafiek.

Bioritmegrafiek voor Reggie Jackson (18/10/1977)

Russ Streiffert, een grote voorstander van de bioritmetheorie, heeft een verklaring: "Studies hebben aangetoond dat de plaats in de grafische data minder belangrijk is dan de trend of de weg waarheen je gaat. Dit is een dynamische interpretatie die anders is dan eerdere opvattingen. Bij het starten onderaan in de grafiek wordt de cyclus omhooggeschoten... bereikt z'n maximale positieve kracht rond de middenlijn... en vertraagt dan tot hij de top bereikt. Bij het begin van het dalen is er een oplopende negatieve kracht die maximaal is bij de middenlijn en dan afneemt naarmate de bodem wordt bereikt. In de grafiek hierboven ziet u hoe de heer Jackson een gezamenlijke positieve injectie krijgt op 18 oktober 1977. Hoewel dit geen bewijs is voor het feit dat deze cycli bijdroegen tot zijn prestaties, lijkt het een uitstekend verband en is het zeker geen bewijs van het tegendeel". De heer Streiffert meldt niet welke studies dit hebben aangetoond.

Dus, wanneer de feitelijke gegevens in strijd zijn met wat de theorie voorspelt, dan moet de theorie anders geïnterpreteerd worden. Reggie Jackson bevond zich niet in een negatieve fase van alle cycli: het kreeg een "gezamenlijke positieve kracht". We moeten dus denken aan een positieve kracht wanneer de cyclus stijgt, en een negatieve wanneer die daalt (of is het vice versa?). Bij deze dynamische en energetische zienswijze, kunnen zelfs dagen in de negatieve fase van een cyclus goed zijn en kunnen dagen in de positieve cylus slecht zijn en omgekeerd, naargelang ze stijgen of dalen, positief of negatief zijn. Met dergelijke constructies is het onmogelijk om de theorie te weerleggen, maar de theorie wordt er ontoetsbaar en zo onbetrouwbaar door dat ze nog nauwelijks kan worden gebruikt om de toekomst te voorspellen. Wat een pseudowetenschappelijke theorie was omdat haar voorstanders de theorie bleven aanhangen ondanks de vele bewijzen van het tegendeel, is nu een pseudowetenschap omdat het beweert een wetenschappelijke theorie te zijn maar niet empirisch toetsbaar is. Alles kan in de theorie worden gepast, zelfs tegenstrijdigheden zoals die bij Mark Spitz en Reggie Jackson, die meer krediet verdienen voor hun prestaties dan de bioritmetheorie hen kan geven.

Noot

1 De brieven van Freud aan Fliess werden tot ongenoegen van Freud zelf bewaard. Ze werden aanvankelijk gepubliceerd in het Engels als Origins of Psychoanalysis: Letters to Wilhelm Fliess Drafts and Notes, 1887-1902. Onder redactie van Marie Bonaparte, Anna Freud en Ernst Kris, vertaald door Eric Mosbacher en James Strachey (London: Imago Pub. Co., 1954). Een meer recente vertaling van Jeffrey Moussaieff Masson is beschikbaar: The Complete Letters of Sigmund Freud to Wilhelm Fliess, 1887-1904 (Cambridge, Mass.: Belknap Press of Harvard University Press, 1985). Het meesterwerk van Fliess heet The Rhythm of Life: Foundations of an Exact Biology (Leipzig: 1906). Er is een discussie over Freud, Fliess en bioritmen in het boek van Frank Sulloway Freud: Biologist of Mind (Cambridge, Mass:; Harvard University Press, 1993).

2 Hoe kwam Fliess op de theorie van de getallen 23 en 28? Martin Gardner schrijft:

De basisformule van Fliess kan geschreven worden als 23x + 28y, waarbij x en y positieve of negatieve hele getallen zijn. Op bijna elke bladzijde past Fliess de formule toe op natuurlijke fenomenen, gaande van de cel tot het zonnestelsel... Hij besefte niet dat indien om het even welke twee positieve gehele getallen die geen gemeenschappelijke deler hebben, worden vervangen door 23 en 28 in zijn basisformule, het mogelijk is om welk positief geheel getal ook uit te drukken. Geen wonder dat de formule zo makkelijk toepasbaar was op natuurlijke fenomenen! [Gardner pp. 134-135]