De Dogon zijn een volk van zo'n 100.000 mensen die leven in West-Afrika. Volgens Robert Temple (Het Sirius Mysterie), hadden de Dogon zo'n 5000 jaar geleden contact met lelijke, amfibische buitenaardse wezens, de Nommos. De buitenaardse wezens kwamen hier om onbekende reden van een planeet die op 8,6 lichtjaar van de aarde rond Sirius draait. De vermeende bezoekers uit de ruimte hebben de aardbewoners blijkbaar enkel wat nutteloze astrologische informatie gegeven.

Een van de belangijkste bewijsstukken van Temple is de bij de Dogon vermeende kennis van Sirius B, een begeleider van Sirius. De Dogon wisten blijkbaar dat Sirius B rond Sirius draaide en dat een volledige omwenteling vijftig jaar duurde. Een van de bewijsstukken die Temple aanhaalt is een zandafbeelding die de Dogon maakten om hun geloof uit te leggen. De diagram die Temple voorstelt is echter niet de hele diagram die de Dogon aan de Franse antropologen Marcel Griaule en Germaine Dieterlen toonden. Deze antropologen waren de bronnen voor het verhaal van Temple. Temple heeft ofwel het geloof van de Dogon fout geïnterpreteerd, of hij manipuleerde de verklaringen van Griaule en Dieterlen zodat ze pastten in zijn fantastisch verhaal.

Griaule en Dieterlen beschrijven een wereldvernieuwingsceremonie verbonden met de heldere ster Sirius (sigu tolo, "ster van Sigui"), sigui genoemd, die de Dogon elke zestig jaar houden. Volgens Griaule en Dieterlen vernoemen de Dogon ook een begeleidende ster, po tolo "Digitaria ster" (Sirius B) en beschrijven zijn dichtheids- en omwentelingskenmerken. Griaule probeerde geen verklaring te vinden voor de Dogon-kennis van een ster die niet zonder telescopen kan worden gezien, en hij meldde niets over de oudheid van deze informatie of over een verband met het oude Egypte.

Temple vermeldt een aantal astronomische overtuigingen die vreemd lijken. Ze hebben een overgeleverd geloof in een heliocentrische systeem en in elliptische banen van astronomische natuurverschijnselen. Ze lijken op de hoogte te zijn van onder meer de manen van jupiter en de ringen van Saturnus. Hij vraagt zich af waar ze deze kennis vandaan hadden als die niet kwam van buitenaardse bezoekers? Ze hebben geen telescopen of ander wetenschappelijk materiaal, dus hoe konden ze deze kennis vergaren? Het antwoord van Temple is dat ze deze informatie kregen van amfibische buitenaardse wezens uit de ruimte.

Afrocentristen stellen dan weer dat de the Dogon Sirius B konden zien zonder telescopen dankzij hun speciaal gezichtsvermogen dat te wijten is aan hun hoeveelheid melanine (Welsing, F. C. 1987. "Lecture 1st Melanin Conference, San Francisco, September 16-17, 1987"). Er is natuurlijk geen enkel bewijs voor dit speciaal gezichtsvermogen, net zoals er geen bewijs is voor de stelling dat de Dogon hun kennis verkregen van zwarte Egyptenaren met telescopen.

een aardse bron?

Carl Sagan ging akkoord met de stelling van Temple dat de Dogon hun kennis onmogelijk konden hebben verkregen zonder contact met een gevorderde technische beschaving. Sagan opperde echter dat die beschaving eerder van aardse dan van buitenaardse oorsprong was. Misschien was de bron wel Temple zelf en zijn losse speculaties over wat hij van Griaule leerde. Griaule op zijn beurt baseerde zijn verslag op een gesprek met één persoon, Ambara, en een tolk.

Volgens Sagan heeft West-Afrika heel wat bezoekers over de vloer gehad van technologische samenlevingen op aarde. De Dogon hebben altijd interesse gehad in de hemel en in astronomische natuurverschijnselen. Als een Europeaan de Dogon in de jaren 1920 en 1930 zou hebben bezocht, dan zouden de gesprekken waarschijnlijk de astronomische toer zijn opgegaan en zou er onder meer over Sirius zijn gesproken, de helderste ster aan de hemel en het centrum van de Dogonmythologie. Bovendien was er in de jaren 1920 al heel wat over Sirius in de pers verschenen zodat tegen de tijd Griaule bij de Dogon aankwam, de Dogon al een basisvorming hadden gekregen in technologische zaken door gesprekken met bezoekers van andere plaatsen op aarde.

Het kan ook dat het verhaal van Griaule meet zijn eigen interesses weergaf dan dat van de Dogon. Hij maakte geen geheim van het feit dat het zijn bedoeling was het Afrikaanse denken goed te maken. Toen de Nederlander Walter van Beek de Dogon bestudeerde, vond hij geen enkel bewijs dat ze wisten dat Sirius een dubbelster was of dat Sirius B heel dicht was en een omwentelingstijd van vijftig jaar had.

Kennis van de sterren is [voor de Dogon] niet belangrijk in het dagelijkse leven of in het rituele leven. De plaats van de zon en de maanfasen zijn van groter belang voor het denken van de Dogon. Geen enkele Dogon buiten de kleine groep informanten van Griaule had ooit gehoord van sigu tolo of po tolo... Meer nog, niemand, zelfs niet binnen de groep informanten van Griaule, had ooit gehoord of begreep dat Sirius een dubbelster was (Ortiz de Montellano).

Volgens Thomas Bullard speculeerde van Beek dat Griaule "de complexiteit van Afrikaanse godsdiensten wenste te bevestigen en zijn informanten op zo'n dwingende manier ondervroeg dat ze nieuwe mythes d.m.v. verzinsels creëerden". Ofwel lichtte Griaule de Dogon in over Sirius B of "interpreteerde hij hun verwijzingen naar andere zichtbare sterren in de buurt van Sirius verkeerdelijk als herkenning van de onzichtbare begeleider" (Bullard).

Het enige mysterie is hoe iemand zowel het idee van amfibische buitenaardse wezens als een telescopisch zicht door melanine ernstig kan nemen.