geloof (faith)
<'faith' en 'belief' zijn in het Engels twee verschillende woorden voor ons Nederlands 'geloof'. Om het onderscheid te maken in de Nederlandse vertaling, wordt 'geloof' als vertaling van 'faith' (godsdienstig geloof) schuin gedrukt, en is 'geloof' of 'overtuiging' als vertaling van 'belief' (niet-religieus geloof) recht gedrukt.>
Geloof
is de niet-rationele overtuiging van een of andere bewering. Een
niet-rationele overtuiging is een overtuiging die tegengesteld is aan
het bewijs voor die overtuiging. Een overtuiging is
tegengesteld aan het bewijs als er overtuigend bewijs is
tegen de overtuiging, vb. dat de aarde plat, hol of het centrum van
het heelal is. Een overtuiging is ook tegengesteld aan het bewijs als het bewijs tegelijk voor en tegen de overtuiging pleit, en
toch verbindt iemand zich tot een van de twee of meer even sterk
gestaafde beweringen.
Een veel vookomende misvatting over geloof
-of misschien is dit een bewuste poging tot desinformatie
en obscurantisme- komt voor bij Christelijke apologeten zoals Dr.
Richard Spencer, die hetvolgende schreef:
Een
bewering zoals "Er is geen God, en er kan geen god zijn; alles kwam
voort uit zuiver natuurlijke processen" kan niet op wetenschappelijke
wijze worden gestaafd en is een kwestie van geloof, niet wetenschap
(Richard Spencer, Ph.D., professor in electrical en computer
engineering aan de UC Davis en faculteitsadviseer voor
de Christian Student Union. Geciteerd in The Davis
Enterprise, 22 januari 1999).
De
fout of het bedrog in deze uitspraak is dat al wat geen
wetenschappelijke bewering is, d.w.z. wat op wetenschappelijke wijze
wordt gestaafd, een kwestie van geloof is. De term 'geloof' in zo'n brede zin gebruiken berooft het van z'n gebruikelijke theologische betekenis.
Een dergelijke opvatting over geloof
vooronderstelt dat alle geloof in niet-empirische beweringen
geloofsdaden zijn. Dus, het geloof in de externe wereld, het geloof in
de wet van oorzaak en gevolg, of het geloof in de fundamentele
principes van logica, zoals het principe van tegenspraak of de wet van
de uitgesloten derde, zijn volgens hem geloofsdaden. Er lijkt iets
grondig bedrieglijks en misleidends te zijn in het onder één noemer
plaatsen van geloofsdaden
zoals het geloof in de maagdelijke geboorte en het geloof in het
bestaan van een externe wereld of in het principe van tegenspraak.
Een dergelijk standpunt bagatelliseert het godsdienstig geloof door alle niet-empirische beweringen in dezelfde categorie te plaatsen als het godsdienstige geloof. En eigenlijk zou het beter zijn om godsdienstig geloof in dezelfde categorie te plaatsen als bijgeloof en het geloof in sprookjes en hersenschimmen.
Natuurkundige Bob Park verklaart dit verschil op een manier die zelfs de meest sluwe sofist zou begrijpen. Hij zegt dat de Oxford Concise English Dictionary twee verschillende betekenissen geeft voor het Engelse woord 'faith':
"1)
compleet vertrouwen, en 2) sterk geloof in een godsdienst eerder
gebaseerd op spirituele overtuiging dan op bewijs." Het "geloof" van
een wetenschapper is gebaseerd op experimenteel bewijs. Daarom zijn de
twee betekenissen van het Engelse woord "faith" niet enkel
verschillend, maar zijn ze totaal tegenovergesteld.*
Er
zijn redenen om de wetenschap te vertrouwen en er zijn redenen voor
religieuze overtuigingen, maar de redenen voor ons vertrouwen in de
wetenschap worden bewijs genoemd en de redenen voor onze religieuze overtuigingen zijn allemaal te herleiden tot hoop. William James, een wetenschapper en gelovige, begreep dit onderscheid bijzonder goed. In zijn essay "The Will to Believe"
(de wil om te geloven) meent James dat het bewijs voor God en een leven
na de dood gelijk is aan het bewijs voor het niet geloven, en dat zijn
hoop is voor het overleven van de ziel.
James meent dat wanneer in wetenschap het bewijs gelijk is voor twee
tegengestelde beweringen, we ons oordeel dienen in te houden tot de
balans naar de ene of de andere kant overhelt. In dergelijke gevallen
beginnen we niet zonder bewijs in een van beide gevallen te geloven, in
de hoop dat onze favoriete hypothese juist is. Wanneer we de ene
wetenschappelijke hypothese boven een andere verkiezen, dan is dat
omdat het bewijs dat vereist, niet omdat we hopen dat het juist is.
een foutieve opvatting van geloof
Als
we de beweringen van Dr. Spencer bekijken, dan wordt de fout van het
mengen van de twee betekenissen van het Engelse woord 'faith'
duidelijk. Hij beweert dat de bewering 'er is geen God en er kan
geen god zijn; alles kwam voort uit zuiver natuurlijke processen' een geloofsbewering is. Ten eerste merken we dat er hier drie
verschillende beweringen zijn. Eén, 'er is geen God'. Twee, 'er kan
geen god zijn'. En drie, 'alles kwam voort uit zuiver natuurlijke
processen'.
Dr. Spencer suggereert dat elk van deze beweringen op één lijn staat
met beweringen als 'er is een God', 'Jezus Christus is onze Heer
en Redder',
'Jezus' moeder was een maagd', 'een stukje brood kan Jezus Christus'
fysieke lichaam en bloed bevatten', 'God is één wezen maar drie
personen', en dergelijke.
De
bewering 'er kan geen god zijn' is geen empirische bewering. Ieder die
een dergelijke bewering uit, kan zeggen dat een bepaald concept van god
tegenstellingen bevat en daarom betekenisloos is. Bijvoorbeeld, geloven
dat 'sommige vierkanten rond zijn' is een logische tegenstelling.
Cirkels en vierkanten zijn zodanig gedefinieerd dat cirkels geen
vierkant kunnen zijn en vierkanten niet rond kunnen zijn. James
Rachels, om maar iemand te noemen, heeft beweerd dat god
onmogelijk is, maar in het beste geval toont zijn argument dat de
ideeën van een almachtige God en één die aanbidding eist van Zijn
scheppingen, in tegenspraak zijn. Het begrip aanbidding, meent Rachels,
is niet consistent
met de traditionele Joods-Christelijke opvatting over God.
Rachels
heeft een argument. Sommigen vinden het overtuigend, anderen niet. Maar het lijkt erop dat zijn overtuiging geen geloofsdaad is in dezelfde zin als het een geloofsdaad
zou zijn om te geloven in de Incarnatie, de Drievuldigheid,
transubstantiatie, of de maagdelijke geboorte. De eerste drie
geloofsartikelen komen overeen met het geloven in ronde vierkanten. Ze
vereisen het geloof in logische tegenstellingen. We weten nu dat
maagdelijke geboorten mogelijk zijn, maar de technologie voor de
implantatie van bevruchte eieren bestond tweeduizend jaar geleden nog
niet. Het geloof in de maagdelijke geboorte heeft tot gevolg dat God op
mirakuleuze wijze Maria bevruchtte met Zichzelf. Een dergelijk geloof
stemt niet overeen met onze ervaring maar is wel logisch. Een
maagdelijke geboorte is mogelijk, in tegenstelling tot de
Drievuldigheid.
Alle
argumenten met betrekking tot deze geloofsartikelen zijn heel
verschillend van het argument van Rachel. Om deze geloofsartikelen te
verdedigen, is het maximum waarop men kan hopen aantonen dat ze niet
als vals kunnen worden bewezen. Maar het gevolg van de bewering dat
logische tegenstellingen niettemin waar kunnen zijn, lijkt onwenselijk.
De verdediging van die bewering vereist immers dat de hele logische
principes worden verlaten die nodig zijn om om het even welk argument
te maken, waardoor de redenering zichzelf opheft. Het feit dat
argumenten zoals die van Rachel en van hen die godsdienstige geloofsartikelen
verdedigen niet empirisch zijn of niet op te lossen zijn met
wetenschappelijke methodes, betekent daarom niet dat het om geloofszaken gaat.
Een
bewering als 'er is geen God' is heel verschillend van de bewering dat
er geen god kan zijn. Dit laatste is een bewering over mogelijkheid;
het eerste is een feitelijke of existentiële bewering. Ik betwijfel dat
er veel theologen of Christelijke apologeten zijn die zouden
beweren dat hun hele geloof neerkomt op een geloof in de mogelijkheid van dit of dat. Iemand kan geloven dat er geen God is omdat er geen god kan zijn, maar iemand kan ook niet geloven in God terwijl hij of zij de mogelijkheid
toelaat van de Joods-Christelijke of om het even welke andere god. Niet
geloven in God is hetzelfde als niet geloven in Bigfoot,
het monster van Loch Ness, Sinterklaas of de Paashaas. Maar wie
in Bigfoot en Nessie gelooft, bijvoorbeeld, staan niet
bepaald bekend als mensen die beweren dat het om een geloof gaat. Zeggen dat je een geloof
hebt in Bigfoot of in Nessie klinkt belachelijk.
Wie gelooft in Bigfoot denkt dat er een degelijk bewijs bestaat voor
hun geloof.
Wie er niet in gelooft zegt dat het bewijs helemaal niet sterk
genoeg is dat de bewering dat Bigfoot bestaat geen aandacht verdient.
Het feit dat mensen niet geloven in Bigfoot is geen geloofsdaad; zij geloven er niet in omdat het bewijs niet overtuigend is. Geloof in God, daarentegen, kan ofwel een geloofsdaad zijn of een geloof gebaseerd op bevindingen door bewijs of door argumenten. Als het theïstisch geloof een geloofsdaad
is, dan denkt diegene die gelooft ofwel dat het bewijs tegen het geloof
zwaarder of even goed doorweegt als het bewijs voor het
geloof, of dat het geloof wordt aangehouden zonder enige aandacht voor
het bewijs. Anders is het geloof geen geloofsdaad maar het geloof dat het bewijs voor het geloof zwaarder doorweegt dan het bewijs ertegen.
naturalisme
Een andere wetenschapper, natuurkundige Paul Davies, vertegenwoordigt een ander soort bedrieglijke misleiding van geloof: dat wetenschap en godsdienst gelijkwaardig gebaseerd zijn op 'geloof'. Dit is hoe hij het schrijft:...de wetenschap heeft z'n eigen op geloof gebaseerd geloofssysteem. Alle wetenschap komt voort uit de veronderstelling dat de natuur op een rationele en intelligente manier is geordend. Je bent geen wetenschapper als je denkt dat het universum een betekenisloze wirwar is van stukjes die toevallig naast elkaar zijn gezet. Wanneer natuurkundigen peilen naar een dieper niveau van de subatomische structuur, of wanneer astronomen het bereik van hun instrumenten vergroten, dan verwachten ze een bijkomende elegante wiskundige orde te vinden. Dusver was dit geloof verrechtvaardigd. ("Taking Science on Faith", New York Times, 24 november 2007)
De bewering dat de wetenschappelijke stellingen van hetzelfde niveau zijn als het geloof in de Drievuldigheid, de maagdelijke geboorte, or het bestaan van God is net zo foutief als de overtuiging van Dr. Spencer dat de bewering dat 'alles evolueerde uit natuurlijke processen' een geloofsdaad is. Davies gebruikt de term 'geloof' om te verwijzen naar overtuigingen die onzeker zijn of niet als waar kunnen worden bewezen, maar dat is niet het essentiële kenmerk van godsdienstig geloof. We kunnen niet bewijzen dat het noodzakelijkerwijze waar is dat de natuurwetten morgen niet plots zullen wijzigen, maar betekent niet dat de ontelbare keren dat een volgorde en patroon werd ervaren door ontelbare mensen geen bewijskrachtig belang hebben. Veronderstellen dat onzichtbare groene engelen voorwerpen bewegen zodat het lijkt alsof de zwaartekracht echt is, is niet meteen hetzelfde als aannemen dat er natuurwetten zijn. Geen van beiden kan noodzakelijkerwijze worden bewezen maar de tweede stelling wordt op z'n minst door bewijs ondersteund. Zowel op bewijs gebaseerde overtuigingen als overtuigingen die op geen enkel bewijs zijn ondersteund catalogeren als geloofsdaden is gewoon absurd.
Als de enige alternatieven zijn dat alles evolueerde van ofwel bovennatuurlijke of natuurlijke krachten, en men is niet overtuigd door de argumenten en het bewijs van wie in bovennatuurlijke krachten gelooft, dan is de enige logische overtuiging dat alles evolueerde van natuurlijke krachten. Alleen als het bewijs voor een bovennatuurlijk wezen groter of gelijk is aan het bewijs en de argumenten tegen dergelijke overtuiging, zou de overtuiging dat alles van natuurlijke krachten evolueerde, een kwestie van geloof zijn.
De atheïsten onder ons die geloven dat alles evolueerde door natuurlijke krachten zijn van mening dat theïsten en gelovers in het bovennatuurlijke nauwelijks argumenten hebben voor hun overtuiging, nog minder dan diegenen die in Bigfoot, Nessie of de kerstman geloven. Maar, belangrijker nog, we zijn compleet overtuigd door het overweldigende bewijs dat natuurlijke krachten aan de basis liggen van het heelal zoals we het kennen. Ons ongeloof in een bovennatuurlijke schepper is geen geloofsdaad, en is dus niet niet-rationeel zoals dat van theïsten en Christelijke geloofsverdedigers. Maar als Christelijke apologeten erop staan dat wetenschap een kwestie van geloof is of dat hun versie van het Christendom en de verwerping van hun standpunten allebei evenzeer geloofsdaden zijn, dan sta ik erop dat die apologeten een niet-rationeel geloof hebben, terwijl hun tegenstanders een rationeel geloof hebben. Ik denk eigenlijk dat het minder oneerlijk en minder misleidend zou zijn om toe te geven dat atheïsten en naturalisten hun overtuigingen niet baseren op geloof in welke zin ook zoals bij godsdienstig geloof.