Het Godsbewijs uit de schepping is een van de "bewijzen" voor het bestaan van God. In z'n basisvorm maakt het bewijs uit de intelligende structuur en gecreëerde schoonheid van het universum op dat er een intelligent Ontwerper en Schepper van het universum is. Het bewijs werd al aangevallen omdat het petitio principii hanteert: het neemt aan dat het universum is ontworpen om te bewijzen dat het het werk is van een ontwerper. Het bewijs houdt ook feiten achter: ondanks de schoonheid en pracht, zit het universum ook vol met, laat ons tactvol zijn, smerigheden. Ik veronderstel dat ik concreter moet zijn, maar de lezer weet wat ik zoal bedoel: baby's die zonder hersenen worden geboren, goede mensen die aan monsterlijke zaken lijden zoals neurofibromatosis (ziekte van Von Recklinghausen), slechte mensen die in de zon liggen en hun macht, reputatie, enz. misbruiken, vulcanen die uitbarsten, aardbevingen, orkanen en tornado's die duizenden mensenlevens per dag eisen. Is het onredelijk om deze dingen smerigheden te noemen, terwijl ze door theïsten zorgeloos als amoreel kwaad of fysiek kwaad worden omschreven? Wie zoals vele verdedigers van Intelligent Ontwerp zegt dat deze smerigheden enkel ons smerig lijken en dat wij het plan en de visie van God niet kennen en dus niet kunnen weten hoe goed deze smerigheden echt zijn, spreekt zichzelf tegen. Als we niet kunnen weten wat goed is en wat niet, dan kunnen we niet weten of het ontwerp, als er al een is, goed of slecht is.

Het bewijs van Paley

Een van de bekendste variantes van het bewijs maakt gebruik van een analogie met een horloge. William Paley (1743-1805), de aartsbisschop van Carlisle, schrijft in zijn boek Natural Theology (1802):

Bij het wandelen op een open veld stootte ik m'n voet tegen een steen. Er werd me gevraagd hoe die steen daar kwam. Ik kon antwoorden dat voor zover ik wist hij daar altijd al had gelegen; Het zou misschien niet zo gemakkelijk zijn het absurde van de vraag aan te tonen. Maar stel dat ik een horloge op de grond had gevonden en men mij vroeg hoe het kwam dat die zich daar bevond, dan zou ik nauwelijks aan het vorige antwoord denken, nl. dat voor zover ik wist het daar altijd al had gelegen.

De reden volgens Paley is dat hij zich niet kon inbeelden dat de horloge er al altijd had gelegen omdat het duidelijk is dat de delen van de horloge doelbewust samen werden gebracht. Het is onvermijdelijk dat de "horloge een maker moet hebben gehad", terwijl de steen klaarblijkelijk geen doel heeft dat door de ingewikkelde structuur van zijn delen wordt onthuld.

Het antwoord van Darrow

Je kan op dit moment het bewijs van Paley aanvallen en zoals Clarence Darrow zeggen dat sommige stenen net zo onbegrijpelijk zouden zijn als een horloge, omdat ze complex zijn en makkelijk ontworpen kunnen zijn voor een of ander doel dat we niet kennen, en in alle geval "bij nader onderzoek besluiten dat de steen... net zo wonderbaarlijk is als het horloge". Dat kan wel zijn, maar het punt van Paley was dat niet dat horloges intrinsiek interessanter zijn dan stenen. Zijn punt was dat een horloge analoog kan zijn met de schepping van het universum. Het ontwerp van het horloge impliceert een intelligent ontwerper. Dit feit verliest volgens Paley geen waarde mochten we ontdekken dat het horloge in kwestie de nakomeling is van een ander horloge. "Niemand", zegt hij, "kan redelijk geloven dat het ongevoelige, levenloze horloge, waaruit het horloge voor ons afkomstig is, de echte oorzaak was van het mechanisme dat we er zo in bewonderen--of dat het het instrument zou hebben gebouwd, de onderdelen geschikt, hun volgorde, handeling en onderlinge afhankelijkheid bepaald, hun verschillende beweigingen tot één resultaat gebracht dat ook verbonden is met de gebruiksmiddelen van andere wezens."

Paley gaat dan verder en beweert dat "elke uiting van ontwerp in het horloge, bestaat in de werken van de natuur, met het randverschil dat de natuur groter en meer is, en dat op zo'n niveau dat het alle berekeningen overstijgt". Het gevolg is dat de werken van de natuur een ontwerper van opperste intelligentie moeten hebben gehad om een dergelijk indrukwekkend mechanisme als het universum in elkaar te knutselen. Volgens Darrow is dit 'gevolg' eigenlijk een veronderstelling.

Om te kunnen zeggen dat een bepaald schema of proces een orde of systeem vertoont, moet men een standaard of patroon hebben volgens hetwelke wordt bepaald of de zaak in kwestie een ontwerp of orde vertoont. We hebben een standaard, een patroon, en dat is het universum zelf, waaruit we onze ideeën vormen. We hebben dit universum en zijn werking waargenomen en noemen het orde. Zeggen dat het universum gevormd is op bevel, is zeggen dat het universum gevormd is op het universum. Het kan niets anders betekenen.

Het probleem met de analogie van Paley is dat het geloof dat het universum orde en een doel toont een veronderstelling is. Een eigenschap van een goed analogisch bewijs is dat de vermelde kenmerken werkelijk gedeelde kenmerken moeten zijn. Als er twijfel bestaat over het feit dat een van de vergeleken zaken (het universum) het meest opmerkelijke kenmerk deelt (orde en doel hebben), dan is het analogisch bewijs niet correct.

Het bewijs van Hume

Een andere filosoof, David Hume (1711-1776), haalde de ontwerpanalogie enkele jaren voor Paley aan, in zijn Dialogues Concerning Natural Religion. Een van de personages, Philo, suggereerde: "Als het universum meer lijkt op dierenlichamen en groente dan op kunstwerken van de mens, dan is het waarschijnlijker dat zijn oorsprong meer lijkt op de oorsprong van het eerstgenoemde dan dat van het laatstgenoemde, en moet zijn oorsprong eerder worden toegeschreven aan voortplanting of vegetatie dan aan reden of ontwerp". (Book VII) "De wereld", zegt Philo, "lijkt simpelweg meer op een dier of groente dan op een horloge of breimachine. De oorsprong lijkt dan ook waarschijnlijk meer op de oorsprong van een dier of groente. Diens oorsprong is voortplanting of vegetatie. We kunnen dan ook afleiden dat de oorsprong van de wereld gelijkaardig of analoog is aan voortplanting of vegetatie". Hume dacht blijkbaar dat de analogie een grap was, en misschien zit Paley in de hemel nu wat te lachen.

Ik zou deze horlogeanalogie overtuigender vinden voor het Goddelijke Doel, mocht het horloge van Paley plots en zonder reden een bliksemschicht naar z'n voorhoofd schieten. Dat zou meer in overeenstemming zijn met het universum dat ik heb leren kennen en liefhebben. Als het horloge AIDS kon geven aan eender wie het aanraakte, of zijn nageslacht voor eindeloze generaties kon besmetten, dan zou ik overtuigd kunnen zijn dat dit horloge is als het universum en een teken is van een Groot Ontwerper.

de schijnbaar ontworpen orde

Ten slotte is er een gewoon en populair bewijs dat feiten opsomt over de natuur die, mochten ze anders zijn, zouden betekenen dat onze planeet of het leven op onze planeet niet zou bestaan. We zouden hier niet zijn, zegt men,

* mocht de zon net iets verderaf gelegen zijn of slechts half zo krachtig zijn
* mocht de as van de aarde licht anders zijn
* mocht de maan groter zijn of dichter of verderaf staan
* mocht de zwaartekracht niet zo'n zwakke kracht zijn
* mocht DNA zich niet voortplanten
* mochten molecules groter of kleiner zijn
* mochten er zestig planeten zijn in ons zonnestelsel
* mocht er geen koolstof zijn
* mocht de lichtsnelheid maar half zo snel zijn
* mocht genetische mutatie niet voorkomen
* mocht de omwenteling van de aarde maar één tiende zijn van de huidige

Bekijk verder nog alle tekenen van ontwerp:

* zalm, palingen, vogels, vlinders en walvissen kunnen reizen en jaar na jaar dezelfde broed- en eetplaatsen terugvinden
* de menselijke rede die God kan vatten
* natuurlijke ecologische systemen

Je kan de feiten niet ontkennen. Mochten de zaken anders zijn, dan zou het er anders uitzien. Maar ze zijn niet anders, dus waartoe dient dit bewijs? Op een dag zal de zon niet langer voor leven kunnen zorgen op deze planeet. Dat is al zo op verschillende andere planeten. Wat bewijst dit feit over ontwerp? Niets. De as van de aarde was in het verleden anders en het zal in de toekomst ook wijzigen. Op een dag zal deze planeet onbewoonbaar zijn. Wat bewijst dat over ontwerp, al dan niet intelligent? Niets. We kunnen niet ontkennen dat als er miljoenen factoren niet zouden voorvallen, we hier niet zouden zijn. En dan? Heel wat van deze factoren bestonden niet in het verleden en zullen ook in de toekomst niet op deze planeet bestaan. Er was ooit helemaal geen leven op deze planeet en er zal een tijd komen dat er opnieuw geen leven meer is. Deze planeet bestond ooit helemaal niet en er zal een tijd komen waarin ze niet meer zal bestaan. Wat bewijst dat over een ontwerp? Niets. Er zijn ontelbare planeten die bestaan en die geen leven kunnen herbergen. Wat bewijzen zij over een ontwerp? Niets.

Je zou kunnen zeggen dat de kans dat al deze omstandigheden samen voorvallen om leven op aarde mogelijk te maken één op een triljard is. Aangezien we hier daadwerkelijk zijn, is de kans dat het kan gebeuren één op één. Cressy Morrison stelde ooit:

Stel dat je tien muntstukken, gemarkeerd van een tot tien, in je zak steekt en ze eens goed dooreen schudt. Probeer ze nu in volgorde er uit te halen, van één tot tien, waarbij je telkens een munt eruithaalt en opnieuw terugsteekt waarna je ze opnieuw door mekaar schudt. Wiskundig gezien is de kans dat de eerst getrokken munt nummer één is, één op tien; de kans dat je nummers één en twee na mekaar trekt is één op 100; de kans dat je nummers één, twee en drie in volgorde trekt is één op 1000, enz.; de kans dat je ze allemaal van één tot tien in volgorde eruit haalt, bedraagt het ongelooflijke één op tien miljard.

Op dezelfde manier zijn er zo veel veeleisende omstandigheden nodig voor leven op aarde dat ze onmogelijk bij toeval samen kunnen voorvallen. De aarde draait om zijn as aan een snelheid van 1600 kilometer per uur aan de evenaar; als de snelheid maar 160 km bedraagt, dan zouden de dagen en nachten tien maal zo lang zijn als nu, en zou de hete zon tijdens de dag alle vegetatie wegbranden terwijl 's nachts eventueel overlevende vegetatie zou bevriezen.

Morrison ontwijkt de vraag. De aarde met leven is er. De kans dat ze bestaat is 1 op 1. En mocht ik twintig miljard jaar hebben om voortdurend muntstukken uit m'n zak te halen, dan is de kans dat ik ze op z'n minst een keer in de juiste volgorde eruithaal redelijk goed te noemen.

Maar waarom dit bewijs uit zeldzaamheid met kleine stukjes afbreken wanneer we het met een voorhamer kunnen doen?

... zeldzaamheid is op zich levert niet noodzakelijk een bewijs. Wanneer iemand dertien kaarten heeft in een spelletje Bridge, dan is de kans dat je net die 13 kaarten krijgt die je hebt minder dan één op 600 miljard. Het zou belachelijk zijn mocht iemand die dertien kaarten krijgt en ze nauwkeurig bekijkt, berekenen dat de kans om net die kaarten te krijgen minder dan één op 600 miljard is, en dan besluiten dat hij die kaarten niet had mogen krijgen omdat de kans zo klein is. (John Allen Paulos, Innumeracy: Mathematical Illiteracy and its Consequences)

Zijn er naturalistische en mechanische verklaringen voor ecologische sysytemen en voor wat "dierenwijsheid" wordt genoemd? Natuurlijk. Bewijst dit dat ze niet ontworpen waren? Natuurlijk niet. Hun bestaan bewijst evenmin dat er een ontwerp is. Moeten we een God aannemen om te verklaren hoe de menselijke rede ontstond met het vermogen om een oneindig wezen te bedenken? Natuurlijk niet. Betekent dit dat er geen God is? Natuurlijk niet. Maar betekent dit dat dit bewijs uit de schepping weinig meer is dan een oefening in fout redeneren. Het veronderstelt ontwerp om ontwerp te bewijzen.

De zin van het leven

De theïst vindt dat het leven pas zin heeft indien God bestaat. Waarom lijkt het dan zo duidelijk voor atheïsten dat alles evenveel of zelfs meer zin heeft indien er geen God is? Waarom lijkt het universum voor de atheïst perfect te begrijpen als een niet-ontworpen mechanisme dat enkel bestuurd wordt door natuurlijke, onpersoonlijke krachten?

Een atheïst kijkt naar het universum en naar wat we erover weten en merkt dat zijn vermeende orde en ontwerp redelijk onvolmaakt is. Hij kijkt naar de individuele onderdelen die functioneel prachtig maar qua ontwerp redelijke belachelijk zijn en hij meent dan ook dat geen alwetend wezen het op die manier zou ontwerpen. Zoals Russell zei: wie zou geen betere wereld kunnen creëren mocht hij almachtig en alwetend zijn en enkele miljarden jaren de tijd hebben? Je zou van een alwetend en almachtig wezen verwachten dat die een eenvoudiger en doeltreffender ontwerp voor het universum en de dingen erin zou maken. Zoals Clarence Darrow opmerkte, zijn het de complexiteit en de inherente gebreken van de structuren die bewijzen dat er geen ontwerp is maar dat het natuurlijke krachten zonder specifiek doel zijn die aan de oorzaak liggen. Je kan een ingewikkelde klem gebruiken om enkele blaadjes papier bij elkaar te houden, maar een paperclip is een veel eleganter middel daartoe. De banen van de planeten rond de zon zijn een wonder om te aanschouwen, maar de asteroïdengordel, meteoren en kometen die op planeten inslaan zijn een vreemde toevoeging voor een almachtig en algoede Schepper. Een gezond kind kent niets dan opgetogenheid en hoopvolheid, maar siamese tweelingen en andere "spelingen" van de natuur, net als ontelbare genetische geboortegebreken, lijken een liefdadig ontwerp onwaardig. De atheïst ziet een vrouw met een tumor van 100 kilo en vindt dat een dergelijk kwaad niet kan worden toegestaan door een almachtige en algoede God. Maar de patiënt en haar ouders menen dat God de chirurgen heeft geholpen om de tumor te verwijderen en haar leven te redden. Ze geven God niet de schuld voor de tumor maar schrijven Hem de verwijdering ervan toe. Ze kunnen zelfs beweren dat God een goede en nobele bedoeling had met het veroorzaken van zoveel leed. De atheïst vind dit soort redenering weinig meer dan ad-hocveronderstellingen.

Het typische theïstische antwoord op dit besluit is dat het onbeschaamd is. God is niet gebonden door de menselijke opvattingen over perfectie of goed ontwerp. Wat ons onelegant, inefficiënt of onvolmaakt kan lijken, zou volgens God wel eens goed kunnen zijn. Maar als we deze manier van redeneren tot een logisch besluit drijven, dan kunnen we beter helemaal niets over God zeggen. I k vind dat de minimumnorm waaraan we God moeten houden dat is wat een redelijke competente groep intelligente mensen kunnen bedenken. Als deze God niet beter kan doen dan dat, dan heeft "perfectie" geen betekenis wanneer we het op dit wezen toepassen. Als men volhoudt dat Gods wegen wezenlijk ondoorgrondelijk zijn, dan is alles toegestaan. God kan dan om het even wat zijn, zelfs zuiver kwaad in dit geval.