De klassieke homeopathie ontstond in de 19e eeuw bij Samuel Christian Friedrich Hahnemann (1755-1843) als een alternatief voor de standaard geneeskundige praktijken van toen, zoals aderlatingen. Tot aan het einde van de 19e eeuw was het openen van aderen een populaire remedie om patiënten te doen bloeden waardoor de ziekte uit het lichaam gedwongen werd en de lichaamssappen opnieuw in het goede evenwicht kwamen (Williams 2000: 265). Hahnemann verwierp het idee dat een ziekte behandeld moest worden door het weghalen van de stoffen die de ziekte veroorzaakten. In plaats daarvan meende hij dat een ziekte behandeld moest worden door de levenskracht te helpen het lichaam opnieuw in harmonie en balans te brengen. Hij verwierp de toenmalige gangbare medische praktijken zoals purgeer- en braakmiddelen "met kalomel gebaseerd op opium en kwik" (ibid.: 145). Achteraf gezien was de alternatieve geneeskunde van Hahnemann menselijker en berokkende ze minder kwaad dan een groot deel van de gangbare praktijken van die tijd.

De wetenschappelijke geneeskunde ontwikkelde zich snel in Hahnemanns tijd maar homeopathie maakte geen deel uit van die ontwikkeling. De wetenschappelijke geneeskunde is in wezen materialistisch. Ze is gebaseerd op disciplines zoals anatomie, fysiologie en scheikunde. Hoewel Hahnemanns methodes gebruik maken van empirische waarnemingen, is zijn theorie over ziekte en remedie in wezen niet-empirisch en verwijst ze naar metafysische entiteiten en processen.

Hahnemann bracht zijn ideeën over ziekte en behandeling naar voren in The Organon of Homeopathic Medicine (Het organon van homeopatische geneeskunde) (1810) en Theory of Chronic Diseases (Theorie over chronische ziekten) (1821). De term 'homeopathie' is afgeleid van twee Griekse woorden: homeo (gelijkaardig) en pathos (lijden). Hahnemann wou daarmee het contrast aantonen tussen zijn methode en de gangbare methode van toen waarbij men probeerde de lichaamsappen in evenwicht te brengen door een kwaal te behandelen met het tegenovergestelde (allos). Hij verwees naar de traditionele geneeskunde met de term allopathie. Hoewel de huidige wetenschappelijke geneeskunde helemaal niet lijkt op die van Hahnemanns tijd, verwijzen moderne homeopathen en andere voorstanders van "alternatieve" geneeskunde nog steeds misleidend naar huidige klassieke dokters als allopaten (Jarvis 1994).

Klassieke homeopathie wordt doorgaans omschreven als een systeem van medische behandeling dat gebaseerd is op het gebruik van minimale hoeveelheden geneesmiddelen die in grote dosissen gelijkaardige effecten zouden geven als die van de ziekte die behandeld wordt. Hahnemann geloofde dat heel kleine dosissen van een geneesmiddel bijzonder helende resultaten konden hebben omdat hun kracht beïnvloed kon worden door hard en methodisch schudden (schok). Hahnemann verwees naar deze vermeende verhoogde kracht door hevig schudden als dynamisatie. Hahnemann dacht dat een schok de "immateriële en spirituele krachten" kon opwekken waardoor de stoffen actiever zouden worden. "Kloppen op een lederen zadel of op de handpalm zou de verdunning verdubbelen" (ibid.).

Voor Hahnemann was dynamisatie een proces waarbij energie werd vrijgelaten die hij als immaterieel en spiritueel achtte. Naarmate de tijd verstreek was hij meer en meer onder de indruk van de kracht van de techniek die hij ontdekt had en publiceerde hij waarschuwingen over de gevaren van te sterk gedynamiseerde geneesmiddelen. Die konden ernstige en zelfs fatale gevolgen hebben, en hij ried homeopaten aan hun medicijnen niet in hun jassen te dragen uit vrees dat ze hen zo onbedoeld te krachtig zouden maken. Uiteindelijk beweerde hij zelfs dat de patiënten de medicijnen helemaal niet hoefde in te slikken. Louter eraan ruiken volstond. (Campbell)

Twee krachtmaten worden doorgaans gebruikt: de decimaal, die in stappen van 1/10 loopt, en de centesimaal (1/100). Vanaf de originele "moedertinctuur" (in het geval van een plant is dit een alcoholisch aftreksel) wordt een oplossing van 1/10 of 1/100 gemaakt. Deze oplossing wordt geschud waardoor een oplossing wordt verkregen die gekend staat als de eerste kracht. Dit dient nu als het beginpunt voor de volgende verdun- en schudstap, die leiden tot de tweede kracht, enz.. De 1/10-krachten worden doorgaans aangeduid door x en de 1/100 door c; dus Pulsatilla 6c betekent de 6e centesimale kracht van Pulsatilla, dat zes schudsessies heeft ondergaan en een concentratie heeft van één deel op duizend miljard. (Campbell)

Zoals vele van zijn tijdgenoten, geloofde Hahnemann dat gezondheid een kwestie was van evenwicht en harmonie, maar voor hem was het de levenskracht, de geest in het lichaam, dat het lichaam in evenwicht en harmonie bracht, m.a.w. genas.

Hahnemann meende dat de meeste chronische ziektes veroorzaakt werden door miasma's en dat de slechtste van deze miasma's de 'psora' waren. Het bewijs voor de miasmatheorie bestaat echter niet en is blijkbaar het resultaat van een of andere goddelijke openbaring (Campbell). Het woord 'miasma'

is afgeleid uit het Grieks en betekent iets als "smet" of "contaminatie". Hahnemann veronderstelde dat een chronische ziekte voortkwam uit een invasie in het lichaam door een van de miasma's door de huid. De eerste tekenen van een ziekte is dus altijd een of andere huidkwaal (Campbell).

Zijn behandelingsmethode kan heel modern lijken: Zoek het juiste medicijn voor de ziekte. Maar zijn medicijnen waren niet gemaakt om de lichaamsinfectie af te weren of weefsel te herstellen, maar om de levensgeest zijn magische werk te helpen verrichten. In feite geloofde Hahnemann dat het "inherent onmogelijk is om de innerlijke aard te kennen van ziekteprocessen en dat het daarom nutteloos is om erover de praten of behandelingen op te stellen op basis van theorieën" (Campbell). Zijn remedies werden bepaald door de symptomen van de patiënt, niet door de veronderstelde ziekte die de symptomen veroorzaakte.

homeopathische "wetten"

Homeopaten verwijzen naar "de Wet van Infinitesimalen" en de "Wet van Gelijken" als de basis voor het gebruik van hele kleine hoeveelheden en voor het geloof dat een gelijke een gelijke geneest, maar dat zijn geen natuurwetten. Als ze al wetten zijn, zijn het metafysische wetten, d.w.z. overtuigingen over de aard van de werkelijkheid die onmogelijk op empirische wijze te testen zijn. Hahnemanns ideeën vonden hun oorsprong wel degelijk in ervaring. Dat hij metafysische conclusies trok uit empirische gebeurtenissen betekent echter niet dat zijn ideeën empirisch kunnen worden getest. De wet van de infinitesimalen lijkt gedeeltelijk afgeleid van zijn idee dat om het even welk geneesmiddel de patiënt slechter zou maken alvorens hij beter werd en dat men dit negatieve effect kon minimaliseren door de dosis drastisch te beperken. De meeste critici van homeopathie hebben bezwaar tegen deze "wet" omdat het leidt tot geneesmiddelen die zodanig verdund zijn dat ze geen enkele molecule meer bevatten van de stof waarmee men van start is gegaan.

Hahnemann kwam op de proppen met zijn Wet van Gelijken (een gelijke geneest een gelijke) in 1790 toen hij Materia Medica van William Cullen naar het Duitse vertaalde (Loudon 1997: 94). Hij begon op zichzelf te experimenteren met diverse stoffen, te beginnen met kinabast.

Hij schreef dat hij dagelijks en gedurende diverse dagen vier drachmes van het geneesmiddel had genomen. Elke keer hij de dosis had genomen, werden zijn vingeruiteinden en tenen koud, en volgende andere symptomen die typisch waren voor malaria. Elke keer als hij gestopt was kinabast te nemen, keerde hij snel terug naar een gezonde toestand. (Williams 1981: 184)

Gedurende vele jaren experimenteerde Hahnemann op zichzelf met diverse geneesmiddelen en besloot dat "een dokter enkel die geneesmiddelen zou mogen gebruiken die de kracht hebben om in een gezond lichaam symptomen op te wekken die gelijkaardig zijn aan die die voorkomen in de zieke te behandelen persoon (ibid.)." Medicijnen mogen slechts in kleine dosissen worden gegeven, meende hij, niet in complexe mengsels. Zijn conclusies lijken gebaseerd te zijn op intuïtie of openbaring. Hij verrichtte geen experimenten op patiënten door hen geneesmiddelen te geven en zo na te gaan welke geneesmiddelen werkten bij welke kwamen or dat enkel niet-gemengde stoffen doeltreffend waren. Inderdaad, hij kon niet experimenteren op zieke mensen omdat hij veronderstelde dat de remedie een gelijkaardig effect moet veroorzaken als de ziekte zelf en hij zou nooit in staat zijn te zeggen welke remedies te gebruiken zijn omdat de symptomen van de ziekte bij een zieke moeilijk te onderscheiden zouden zijn van die van het geneesmiddel. In de plaats daarvan nam hij aan dat wat ook de symptomen veroorzaakte in een gezonde persoon een geneesmiddel zou zijn voor een ziekte met gelijkaardige symptomen.

Hahnemann heeft deze methode voor het vinden van welke symptomen een geneesmiddel bij een gezonde persoon veroorzaakt "proefing" genoemd.

Hahnemann liet geen details na over de dosissen die hij gebruikte of over de manier waarop de geneesmiddelen werden toegediend, maar uit toevallige opmerkingen en verslagen van zijn geteste personen hebben we een vrij goed idee van hoe een en ander verliep. In die tijd werden alle proeven uitgevoerd met tincturen (aftreksels) van kruiden of, in het geval van onverdunbare stoffen, met 'eerste verpoederingen' (een deel van een stof gemalen met negen delen suiker of melk)...

Het was zijn gewoonte om herhaalde dosissen te geven tot er een effect optrad; de werkelijke hoeveelheid werd berekend op basis van zijn eigen vroegere ervaring. De geteste personen moesten hun symptomen met de grootste zorg neerschrijven en bij het overhandigen van hun notitieboekjes aan Hahnemann moesten ze hem hun handen aanbieden - dit was toen aan de Duitse universiteiten de gebruikelijke manier om een eed te doen - en zweren dat de neergeschreven bevindingen de waarheid waren. Hahnemann ondervroeg hen vervolgens grondig over hun symptomen om zo de tijdsgegevens te kennen, de factoren die hen beter of slechter maakten, enz... Koffie, thee, wijn, cognac en kruiden waren verboden voor de proevers evenals schaken (dat volgens Hahnemann te opwindend was), maar bier was toegestaan en matige lichaamsbeweging werd aangemoedigd. (Campbell)

Bij het werken aan het gelijkaardigheidsprincipe maakte Hahnemann remedies aan voor diverse kwalen die gelijkaardige symptomen hadden als die van de stoffen die zijn proevers hadden genomen. Maar, "...de proefmethodes zijn uiterst gepersonaliseerd en enkel individueel relevant voor de homeopaat of experimenteerder".* Met andere woorden, honderd verschillende homeopaten die een geneesmiddel maken voor een patiënt kunnen makkelijk honderd verschillende geneesmiddelen opleveren.

Men kan Hahnemann dan wel loven omdat hij zijn medicijnen op empirische wijze testte, zijn testmethode klopte duidelijk niet. Hij testte immers niet of de doeltreffendheid van de medicijnen op zieke mensen maar hun effect op gezonde mensen. In ieder geval, hij moest vertrouwen op de subjectieve evaluaties van zijn proevers, die allemaal leerlingen of familieleden waren en die allemaal door de meester zelf werden ondervraagd. (Latere onderzoekers zouden beter beheerste proefmethodes gebruiken.*) Maar zelfs als zijn gegevens niet aangetast waren door de mogelijkheid dat hij de symptomen suggereerde of dat de proevers de symptomen rapporteerden om hun meester tevreden te stellen, is het een geloof in magie dat de lijst van symptomen verbindt met het geneesmiddel van een ziekte met gelijkaardige symptomen. In logica wordt deze redeneringsfout een non sequitur genoemd: het is niet omdat geneesmiddel A symptomen oplevert die gelijkaardig zijn aan ziekte B dat het nemen van A de symptomen van B zal wegnemen. Maar homeopaten zien in de klantentevredenheid met A een bewijs dat A werkt.

Er is wat bewijs dat Hahnemann geen gezonde personen gebruikte om elk van zijn geneesmiddelen te bewijzen die hij aanried voor de meeste kwalen: zwavel, inktvisinkt, zou en zand.

Wat blijkbaar gebeurd is, is dat Hahnemann zijn nieuwe resultaten voor het grootste deel gebaseerd heeft op symptomen die voorkwamen in zijn chronische patiënten. Volgens zijn eigen regels was deze procedure ontoelaatbaar, en in feite schreef hij daardoor een aantal symptomen toe aan het effect van de medicijnen terwijl ze eigenlijk veroorzaakt werden door de ziektes waaraan de patiënten leden. (Campbell)

Hoewel we Hahnemann zijn niet goed beheerste experimenten kunnen vergeven, kunnen we niet zo welwillend zijn tegenover moderne homeopaten voort het niet begrijpen van de aard van anekdotes en getuigenbewijs. We kunnen hen echter niet beschuldigen van het niet uitvoeren van beheerste experimenten. We kunnen hen wel verwijten dat ze enkele fundamentele principes niet begrijpen van de evaluatie van beheerste experimenten die te maken hebben met het toedienen van geneesmiddelen of zelfs inerte stoffen aan mensen.

De homeopaten van tegenwoordig zouden moeten weten dat omwille van de complexiteit van elk individueel mensenlijk lichaam, vijftig verschillende mensen op vijftig verschillende manieren kunnen reageren op dezelfde stof. Net om deze reden is het uitvoeren van klinische tests op mogelijke geneesmiddelen een procedure die maar zelden na één reeks tests grote resultaten oplevert. Het vinden van een statistisch significant verschil, positief of negatief, tussen een experimentele (therapie met geneesmiddelen) groep en een controlegroep in één test van een geneesmiddel, moet doorgaans met een korreltje zout worden genomen. Hetzelfde geldt voor het niets statistisch significants vinden. Het is niet ongewoon dat twintig testreeksen van een geneesmiddel enkele positieve, enkele negatieve en enkele gemengde resultaten opleveren.

Hoewel de meeste van de honderden studies van homeopathische geneesmiddelen geen waarde hebben gevonden in de geneesmiddelen, volharden verdedigers van homeopathie niet alleen dat homeopathische middelen werken, maar beweren ze dat ze weten hoe ze werken. Het lijkt echter dat wetenschappers zoals Jacques Benveniste, die meent te weten hoe homeopathie werkt, de kar voor het paard hebben gespannen. Benveniste meent bewezen te hebben dat homeopatische geneesmiddelen werken door de structuur van water te veranderen waarbij hij toestaat dat het water een "herinnering" bevat aan de structuur van de homeopathische stof die zodanig werd verdund dat er niets meer van te vinden is (Nature Vol. 333, No. 6176, pp. 816-818, 30th June, 1988).* Het werk in het laboratorium van Benveniste werd grondig in twijfel getrokken door een team van onderzoekers die een een kopie van het onderzoek uit Nature evalueerden. Noch Benveniste noch om het even welke andere verdediger van de geheugen-van-water speculatie hebben uitgelegd hoe water zo selectief is in zijn geheugen dat het alle andere miljarden stoffen is vergeten waarmee het de voorbije millennia in contact is gekomen. Je kan je vergeefs afvragen hoe water zich enkel de moleculen kan herinneren die de homeopaat op een gegeven moment van de geschiedenis van het water heeft ingebracht en alle reisjes door het toilet, enz. is vergeten. (Benveniste beweert zelfs dat de biologische activiteit van een homeopathische oplossing digitaal kan worden opgenomen, bewaard op een harde schijf, via het internet verstuurd, en overgebracht op water bij de ontvanger. Hij was een succesvolle bioloog die in een staatslaboratorium werkte totdat hij dergelijke beweringen begon te uiten die hem zijn status en reputatie als achtenswaardige wetenschapper hebben gekost. Hij wordt nu door zijn critici (zoals James Randi) beschouwd als een anderen Blondlot.) Aangezien homeopatische geneesmiddelen niet werken, is er geen theorie nodig over hun werking. Wat wel nodig is, is een verklaring waarom zovele mensen tevreden zijn met hun homeopaat niettegenstaande al de bewijzen dat homeopatische geneesmiddelen ondoeltreffend zijn.

Waarom gelooft iemand dat homeopathie werkt?

Vooraleer een poging te wagen om uit te leggen waarom zovele mensen geloven dat homeopathie werkt, wil ik eerst de bewering verdedigen dat homeopathische geneesmiddelen niet werken. Er zijn al heel wat besprekingen geweest van diverse studies van de werking van homeopathische behandelingen en niet een van deze besprekingen besluit dat er voldoende bewijs is van het feit dat een homeopathisch geneesmiddel (HG) werkt. Homeopaten hebben al meer dan 200 jaar de tijd gehad om waren te demonstreren en zijn daar niet in geslaagd. Uiteraard zijn er enkele studies die significante verschillen hebben gevonden tussen groepen die met HG werden behandeld en controlegroepen, maar geen hiervan werden met succes herhaald of ze hadden te kampen met methodologische fouten. We zijn tweehonderd jaar verder en wachten nog steeds op een bewijs! Een open geest hebben is één ding, zo lang wachten op een bewijs lijkt eerder op wishful thinking.

Een bespreking van de besprekingen van homeopathische studies werd gedaan door Terence Hines (2003: 360-362). Hij besprak Taylor et al. (2000), Wagner (1997), Sampson en London (1995), Kleijen, Knipschild, en ter Riet (1991), en Hill en Doyon (1990). Meer dan 100 studies zijn er niet in geslaagd om sluitende positieve conclusies te geven over homeopathische brouwsels. Ramey (2000) schrijft dat

Homeopathie het onderwerp is geweest van minstens 12 wetenschappelijke besprekingen, inclusief meta-analytische studies, die sinds het midden van de jaren 1980 werden gepubliceerd... [En] de resultaten zijn opmerkelijk consequent:...homeopathische"remedies" werken niet.

Niettemin zullen er altijd verdedigers van homeopathie zijn, ondanks het gebrek aan bewijs dat die geneesmiddelen werken. Waarom? Een reden is dat de oorzaak van een ziekte en hoe het menselijke lichaam op een ziekte reageert over het algemeen slecht begrepen wordt. Hahnemann kon volgelingen aantrekken omdat hij een heler leek te zijn vergeleken met al diegenen die aderen opensneden of giftige purgeermiddelen gebruikten om de lichaamssappen in evenwicht te brengen. Mogelijk hebben meerdere van zijn patiënten hun ziekte overleefd, niet omdat hij hen genas maar omdat hij hen niet infecteerde of doodde door benodigd bloed af te tappen of hen te verzwakken met sterke giftige dranken. De medicijnen van Hahnemann waren in wezen niets meer dan gewone vloeistoffen die op zich weinig schade toebrachten. Er hoefden niet veel van zijn patiënten overleven om indrukwekkend te lijken tegenover zijn concurrenten. Als er enig positief effect is op de gezondheid, is het niet te wijten aan homeopathische middelen maar aan de eigen geneeskrachtige mechanismen van het lichaam of het geloof van de patiënt (placebo-effect) of het effect het gedrag van de homeopaat op de patiënt.

Stress kan een ziekte versterken of zelfs veroorzaken. Als een arts een kalmerend effect heeft op de patiënt, dan kan dat alleen al een significante verbetering teweegbrengen in het zich goed voelen van de patiënt. En dat gevoel kan zich dan vertalen in goede fysiologische effecten. Bij de homeopathische methode wordt veel tijd doorgebracht met elke patiënt om een volledige lijst van symptomen te verkrijgen. Het is mogelijk dat dit een significant kalmerend effect heeft op sommige patiënten. Dit effect kan de eigen geneesmechanismen van het lichaam in sommige gevallen versterken. Zoals homeopaat Anthony Campbell het zegt: "Een homeopathische raadpleging laat de patiënt toe om langdurig over zijn of haar problemen te praten met een aandachtige en meevoelende luisteraar in een gestructureerde omgeving, en dit op zich is therapeutisch". Met andere woorden, homeopathie is een vorm van psychotherapie.

....de meeste homeopaten reserveren al gauw minstens 45 minuten voor een eerste consultatie en velen verkiezen een uur of langer. Daardoor voelen de patiënten dat ze "als een individu" worden behandeld. Er worden hen heel wat vragen gesteld over hun levens en over wat ze wel en niet graag eten, het weer, enz., heel wat zaken die geen duidelijk verband hebben met het probleem waarvoor ze op consultatie komen. Dan zal de homeopaat heel waarschijnlijk verwijzen naar een indrukwekkend grote bron van informatie om hem te helpen de juiste "remedie" te kiezen. (Campbell)

We weten dat er zo goed als geen wetenschappelijk bewijs is dat homeopathische geneesmiddelen werken. Dit betekent niet dat de patiënten zich niet beter voelen of zelfs beter worden na een bezoek aan een homeopaat. Dat is geheel iets anders, hoewel het duidelijk de reden is voor de tevreden klanten. (Hier kan de lezer misschien de artikels raadplegen over het placebo-effect, de post hoc denkfout en de regressieve denkfout.)

Wendy Kaminer, een criticus van diverse irrationele gedragingen, is een van die tevreden klanten. Maar toch vertelde ze haar homeopaat dat haar grootste vrees "was dat iemand zou ontdekken dat ze een homeopaat raadpleegde" (1999; p. 3), wat duidelijk niet haar grootste vrees was; zoniet zou ze het niet aan de hele wereld in haar boek hebben verteld.

Wanneer ik naar mijn homeopaat ga, volg ik misschien een van de voorschriften van de genezingsbewegingen die ik altijd uitgelachen heb: Ik denk met m'n hart en niet met m'n hoofd. Of misschien handel ik toch rationeel. Geloven in homeopathie is misschien irrationeel, maar homeopathie niet gebruiken als het werkt zou nog meer irrationeel zijn. Ik wil enkel weten of een geneesmiddel werkt, niet waarom. (Ik begrijp helemaal niets van antibiotica.)

Ik luister dus niet naar wetenschappers die me zo graag willen vertellen dat homeopathische middelen niet kunnen werken omdat ze de wetten van de scheikunde overtreden. Als ik veronderstel dat de wetenschappers het bij het rechte eind hebben, en dat de geneesmiddelen die ik heb genomen louter placebo's zijn, waarom zou ik dan hun werking betwijfelen? Waarom niet vatbaar zijn voor placebo's? (ibid.)

Hier hebben we een rationeel persoon die irrationeel gedrag afkeurt en toegeeft dat ze iets doet dat heel wat rationele mensen irrationeel zouden noemen. Het is interessant hoe ze met deze cognitieve dissonantie is omgegaan. Ze heeft het irrationele rationeel gemaakt (of op z'n minst minder irrationeel dan het alternatief) door te focussen op haar geloof dat homeopathie werkt. Maar we weten dat de drankjes niet werken, dus waarover heet Kaminer het? Ze spreekt niet over wetenschappelijke studies die aantonen dat homeopathische middelen werken, omdat zovele studies het tegenovergestelde bewijzen. In feite lijkt het haar niet eens te interesseren of zulke studies bestaan. Ze bedoelt dat ze gelooft dat "homeopathie me heeft geholpen" (blz. 4). Haar voorbehoud tegenover de lezer is dat ze haar niet op haar woord moeten geloven maar het zelf moeten proberen, wat lijkt te impliceren dat als ik naar een homeopaat ga en denk dat het me heeft geholpen, ik irrationeel zou zijn om niet meer naar de homeopaat te gaan. Maar wat betekent helpen? Dit zijn gluiperige woorden; ze hebben geen cognitieve inhoud maar hebben een grote emotionele betekenis. Haar enige tegemoetkoming aan het idee dat ze misschien irrationeel handelt lezen we wanneer ze schrijft

...misschien beeld ik me in dat homeopathie me heeft geholpen. Misschien verwar ik correlatie met oorzaak en gevolg: misschien begon ik me bij toeval beter te voelen, om een of andere onbekende reden, ongeveer toen ik me tot homeopathie wendde (ibid., blz. 4).

Ze adviseert ons haar niet op haar woord te geloven en vertelt ons dat we haar moeten vragen om haar bewering te staven. Ze raadt ons zelfs aan om haar ervaring te herhalen. Misschien is dit haar idee van wat een rationele, wetenschappelijk ingestelde persoon zou moeten doen. Maar op geen enkele manier kan ik of om het even wie haar bewering staven door het te proberen te herhalen. We hebben geen voldoende duidelijk zicht op haar bewering om te weten wat we zouden moeten proberen te staven. Haar bewering dat iets haar hielp is te vaag om van enige waarde te zijn bij een poging tot herhaling. Zegt ze werkelijk dat als ik naar een homeopaat ga en me beter voel nadien ik haar bewering heb gestaafd en herhaald? Ik denk het. En ik denk dat ze zich vergist.

En toch denk ik dat ik begrijp wat ze zegt. Als ik bijvoorbeeld naar een homeopaat ben geweest en vaststelde dat de pijn in mijn knieën tijdens de behandeling volledig verdween, een pijn die ik al jaren heb en waarvan mijn dokter zegt dat die aan bursitis te wijten is, dan zou ik irrationeel zijn om niet verder te gaan met de homeopathische behandeling. Bovendien zou het irrationeel zijn om mijn homeopaat niet te raadplegen mocht ik opnieuw pijn voelen in, zeg maar, mijn elleboog of schouder of rug. Als ik opnieuw zou kunnen beginnen te joggen, zou ik irrationeel zijn mocht ik niet terugkeren naar mijn homeopaat. Ik zou daar akkoord mee kunnen zijn. Maar, als ik een homeopaat zou raadplegen over een nieuwe pijn die mijn gewone dokter niet kon wegnemen met zijn klassieke methodes en die pijn zou weggaan na een homeopathische behandeling, dan zou ik het niet irrationeel vinden om niet verder de homeopaat te raadplegen. Ik zou het waarschijnlijk achten dat de pijn ook zou weggegaan zijn zonder de homeopaat te raadplegen (als u zich afvraagt waarom, lees dan even mijn artikel over de regressieve denkfout.)

Bovendien, indien een homeopathisch middel mij wel degelijk van mijn kniepijn verloste, dan zou ik willen weten wat er in het geneesmiddel zat. Hoewel de meeste homeopathische middelen in de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië weinig meer dan water of alcohol zijn, zijn er een aantal producten op de markt die als homeopathisch gemerkt zijn en actieve onderdelen bevatten (zie complexe homeopathie, isopathie en nosode). Echter, als ik zou vinden dat mijn geneesmiddel een van de die middelen is die zodanig werden verdund dat er geen molecules meer inzitten van de originele actieve stof, zou ik liever geloven dat mijn pijn plots wegging dan dat een homeopathisch me van de mijn had verlost. Waarom? Omdat de gekende wetten van de fysica en scheikunde helemaal zouden moeten worden herzien als blijkt dat een brouwsel waaruit bijna elke molecule van het actieve bestanddeel werd verwijderd, werkt. Maar als ik onder dubbelblinde omstandigheden de pijn kon laten verdwijnen en terugkomen door het starten en stoppen van een homeopathische behandeling, dan zou ik moeten besluiten dat het brouwsel effect had en zou ik een verdediger worden van die homeopathische behandeling. Dit alleen maar om te zeggen dat homeopathische middelen empirisch kunnen worden getest. Dat totnogtoe van geen enkel middel is bewezen dat het werkt, is een sterk bewijs tegen homeopathische geneesmiddelen.

Hoewel homeopathische middelen niet werken, is homeopathie zelf wel heel doeltreffend; anders zou het de laatste 200 jaar niet zo zijn kunnen groeien. Het is heel populair in Europa, voornamelijk in de Britse koninklijke familie. Over de hele wereld zijn er homeopathiescholen. In de Verenigde Staten heeft homeopathie een jaarlijkse omzet van 200 miljoen dollar. "Het feit dat het door enkele orthodoxe artsen als onwetenschappelijk werd bestempeld, is voor vele mensen een positieve eigenschap, geen negatieve" (Campbell).

De voornaamste schade van klassieke homeopathie zal niet komen van de geneesmiddelen, die waarschijnlijk veilig maar ondoeltreffend zijn, hoewel dit aan het veranderen is doordat homeopathie op sommige plaatsen ononderscheidbaar wordt van kruidkunde. Een mogelijk gevaar ligt in de aanmoediging tot zelfdiagnose en zelfbehandeling. Een ander gevaar ligt in het feit dat men niet de goede behandeling krijgt van een gewone dokter in die gevallen waarin de patiënt een dergelijke behandeling echt nodig heeft, zoals een blaas- of schimmeinfectie, of zoals bij kanker. Homeopathie kan werken in de zin dat mensen er zich tijdelijk beter door voelen. Homeopathie werkt echter niet voor het uitleggen van ziektes of hun remedies op een manier die niet alleen overeenkomstig de gegevens is maar die ook de belofte inhoudt om ons te leiden naar een beter begrip van de aard van gezondheid en ziekte.