Iriscopie is de studie van de iris om de diagnose van een ziekte te stellen. Iriscopie is gebaseerd op de twijfelactige veronderstelling dat elk orgaan in het menselijke lichaam een overeenstemmende locatie heeft in de iris en dat iemand ken vaststellen of een orgaan gezond of ziek is door de iris te onderzoeken in plaats van het orgaan zelf.

Artsen zien de iris als het gekleurde deel van het oog dat met een samentrekkende opening in het midden, het pupil, regelt hoeveel licht binnenkomt. De lens brengt de lichtstralen naar een brandpunt, vormt een beeld op netvlies waar het licht op de staafjes en kegeltjes die de optische zenuw stimuleren en visuele indrukken doorsturen naar de hersenen. Artsen en optometristen erkennen dat bepaalde symptomen van niet op het oog betrekking hebbende ziekten vastgesteld kunnen worden door het oog te onderzoeken. Als men een probleem vermoedt, dan verwijzen deze artsen de patiënt naar de juiste specialist voor verder onderzoek. Maar iriscopie gaat helemaal niet om het vinden van ziektesymptomen door naar de ogen te kijken. Meer noh, wanneer iriscopisten getest werden om te zien of ze gezonde van zieke mensen konden onderscheiden door naar foto's van hun ogen te kijken, mislukten ze jammerlijk. In een door het Journal of the American Medical Association gepubliceerde studie (1979, vol. 242, 1385-1387), hadden drie iriscopisten bijna alle van de vertoonde irissen van 143 gezonde en zieke mensen foutief beoordeeld. “In feite beoordeelden ze vaak de irissen van de ziekste mensen als die van gezonde mensen en vice versa. Ze waren het zelfs niet met mekaar eens.” Gelijkaardige resultaten van vijf Nederlandse iriscopisten werden gepubliceerd in het British Medical Journal (1988, vol. 297, 1578-1581) (Lisa Niebergall, M.D.).

Iriscopie gaat heel wat verder dan de loutere bewering dat de ogen vaak ziektetekenen vertonen. Iriscopisten beweren dat elk orgaan een tegenhanger heeft in het oog en dat je de gezondheid van het orgaan kan bepalen door naar een specifiek deel van het oog te kijken. Deze overtuiging vloeit niet voort uit wetenschappelijk onderzoek maar louter uit intuïtie.

Ignatz von Péczely, een 19e-eeuwse Hongaarse natuurkundige, is de uitvinder van de iriscopie. Hij kreeg het idee voor deze nieuwe manier om diagnoses te stellen toen hij een donkere lijn zag in de ogen van een man die voor een gebroken been werd behandeld, en dit hem deed herinneren aan een gelijkaardige donkere lijn in de ogen van een uil die zijn been jaren eerder had gebroken. Von Péczely begon toen meer gelijkenissen tussen oogmarkeringen en ziekten van zijn patiënten neer te schrijven. Anderen vervolledigden de kaart van het oog. Een typische kaart van het oog deelt het oog in secties in. Het gebruikt daarvoor het beeld van een uurwerkgezicht als basis. Als je bijvoorbeeld wil weten wat de toestand is van de schildklier van een patiënt, dan moet je de patiënt niet aanraken om te zien of de klier gezwollen is. Het is ook niet nodig om tests uit te voeren op de klier. Het enige wat je moet doen is in de iris van het rechteroog te kijken ter hoogte van ongeveer 2u30 en de iris van het linkeroog bij ongeveer 9u30. Verkleuringen, vlekjes, lijnen, enz. in die delen van de ogen zijn het enige waar je aandacht moet aan schelen, als je wil weten wat de toestand is van de schildklier. Voor problemen met de vagina of penis, kijk je naar 5 uur in het rechteroog. Enzovoort. Een iriscopist kan een onderzoek uitvoeren met niets meer dan een iriscopiekaart, een vergrootglas en een zaklantaarn.

Als de redenering van von Péczely's kenmerkend is, dan kunnen we vermoeden dat hij en de andere iriscopisten zichzelf bedrogen door correlaties te zoeken en te vinden tussen oogmarkeringen en ziekte (voorkeur voor bevestiging). Ze werkten met vage begrippen als "markeringen" en "ziekte". In vele gevallen werden ziektes niet precies of nauwkeurig gediagnosticeerd. Ze waren in staat om iriscopie te bevestigen door vele correlaties te vinden waarvan het oorzakelijke verband niet met zorgvuldig opgesteld onderzoek met controlegroep werd aangetoond. Sommige correlaties waren mogelijk nauwkeurig, maar velen zijn ongetwijfeld vals door de hele brede interpretaties van "markeringen" en "ziekte". Ze vonden patronen waar er in feite geen patronen waren (apofenie). Ze interpreteerden de gegevens foutief en hechtten een buitengewoon belang aan de bevestigende resultaten terwijl de ze negatieve resultaten compleet negeerden. Vele van de bevestigingen zijn te wijten aan subjectieve validatie. We weten niet in welke mate suggestie heeft meegespeeld in de ziektes van hun patiënten. Vele diagnoses waren waarschijnlijk foutief, maar geen enkele objectieve test werd uitgevoerd om de geldigheid van de diagnoses na te gaan. Sommige diagnoses waren misschien correct maar de iriscopisten kunnen ook gebruik hebben gemaakt van andere tekens naast oogmarkeringen om tot hun diagnoses te komen.

Het meest bijzondere aan de iris is dat elke iris uniek en onveranderbaar is, in die mate zelfs dat velen beweren dat de iris een betere manier is om iemande te identificeren dan vingerafdrukken.