Kosmobiologie is een manier van astrologie die in de jaren 1920 door Reinhold Ebertin werd ontwikkeld. Kosmobiologie vermijdt het gebruik van traditionele huissystemen en gebruikt een ingewikkelde kaartmethode om een kosmogram te maken van hemellichamen waarbij speciale aandacht wordt geschonken aan middenpunten. Een middenpunt is een punt halfweg twee planeten (of andere opmerkelijke lichamen). Bijvoorbeeld: 'de afstand tussen 0 graden Ram en 0 graden Kreeft is 90 graden. De helft van 90 is 45, dus ligt het middenpunt op 15 graden Stier.' Kosmobiologen vinden 'indirecte middenpunten' ook belangrijk. "Het tegenovergestelde punt van 15 graden Stier is 15 graden Schorpioen: dit is een indirect middenpunt. Het is eigenlijk gewoon om alle indirecte middenpunten op intervallen van 45 en zelfs 22,5 graden te gebruiken. Indirecte middenpunten hebben bijna dezelfde energie als directe middenpunten."* (Het is vermeldenswaardig dat kosmobiologen steeds kunnen verwijzen naar wat ze vermijden.)

De invloed van Ebertin steeg spectaculair na de publicatie van The Combination of Stellar Influences (De Combinatie van Stellaire Invloeden) in 1940, waarin hij interpretaties geeft van alle mogelijke planetaire combinaties en middenpunten.

Net als andere astrologen worden kosmobiologen geraadpleegd voor advies in persoonlijke en zakelijke gevallen, voor het helpen bij medische diagnoses, en voor vruchtbaarheidsgevallen.

Er zijn diverse verklaringen voor de populariteit van pseudowetenschappen zoals kosmobiologie. Vaak wordt in deze gevallen een pragmatische denkfout gemaakt omdat het zo makkelijk is om om het even welk gegeven in de theorie te laten passen. Analogieën en metaforen zijn makkelijk te zien en worden gebruikt om voorspellingen te valideren. Veel van die voorspellingen hebben ook een kans van 1 op 2 om juist te zijn: u zult een jongen (of meisje) krijgen, uw zaak zal slagen (of mislukken). Veel voorspellingen blijven vaag: u zult onverwachts geld ontvangen; u zal in de nabije toekomst reizen. Ten slotte is er geen manier om dergelijke theorieën te ontkrachten. Wat er ook gebeurt, men kan alles steeds in de theorie doen passen of men maakt een ad- hochypothese om het blijkbaar weerleggende bewijs weg te praten.

Andere factoren die bij dergelijke geloofssystemen betrokken zijn, zijn het Forer-effect, selectief denken, voorkeur voor bevestiging, zelfbedrog en wishful thinking.