lijkwadeDe lijkwade van Turijn is een geweven doek van ongeveer 4,3 meter lang en ruim 1 meter breed met de beeltenis van een man erop. In feite staan er twee afbeeldingen op: een van de voorkant en een van de achterkant, waarbij de hoofden elkaar raken in het midden. Er werd al op gewezen dat er een open ruimte zou moeten zitten tussen de twee hoofden als de lijkwade echt over een lichaam zou zijn gewikkeld. Anderzijds is er ook al op gewezen dat er weldegelijk een open ruimte is tussen de voor- en achterkant van het hoofd, en dat hetgeen wat de omtrek van de achterkant van het hoofd lijkt te zijn in feite een vochtplek is. Sommigen wijzen erop dat het hoofd 5% te groot is voor het lichaam, dat de neus buiten proportie is en dat de armen te lang zijn. Anderen ontkennen deze beweringen. Velen geloven in elk geval dat de afbeelding een negatief beeld is van de gekruisigde Christus en dat het doek de lijkwade is waarin hij werd begraven. De meeste skeptici denken dat de afbeelding geen lijkwade is, maar een schilderij en een vorm van vroom bedrog. De lijkwade wordt bewaard in de kathedraal van Johannes de Doper in Turijn (Italië).

De eerste historische vermelding van de lijkwade als de “lijkwade van Turijn" dateert blijkbaar van de late 16de eeuw toen ze naar de kathedraal van die stad werd overgebracht, hoewel ze naar verluidt ontdekt werd in Turkije tijdens een van zogenaamde "heilige" kruistochten in de zogenaamde "Middeleeuwen". In 1988 gaf het Vaticaan toestemming aan drie onafhankelijke instellingen om de lijkwade te dateren – de universiteit van Oxford, de universiteit van Arizona en het Zwiterse Federale Instituut voor Technologie – en die dateerden de oorsprong van het doek alle drie in de middeleeuwen, rond 1350.

Er wordt beweerd dat de lijkwade in het begin van de 16de eeuw in een brand was betrokken en volgens degenen die geloven in de echtheid van de lijkwade is dat de oorzaak van de koolstofdatering die een leeftijd aangeeft van slechts 650 jaar. Voor non-believers klinkt dit als een ad hoc-hypothese.

De microchemicus Dr. Walter McCrone zegt daarover:

De suggestie dat de brand in Chambery in 1532 de datering van het doek veranderde is belachelijk. Stalen voor koolstofdatering worden volledig verbrand tot CO2 als onderdeel van een goed geteste zuiveringsprocedure. Ook de suggestie dat moderne biologische contaminanten volstonden om de datum naar een later tijdstip te verplaatsen is lachwekkend. De hoeveelheid 20ste eeuwse koolstof die nodig zou zijn om de datering van de 1ste naar de 14de eeuw te verplaatsen, is gelijk aan bijna het dubbele van het gewicht van de lijkwade zelf (zie ook C14-grafiek). Afgezien daarvan werden de stalen van het linnen doek zeer zorgvuldig gereinigd voor de analyse in elk van laboratoria die de koolstofdatering uitvoerden.*

Het kan interessant zijn om weten voor skeptici dat veel gelovige mensen ervan overtuigd zijn dat er wetenschappelijk bewijs is dat hun geloof in de authenticiteit van de lijkwade ondersteunt. Het bewijs beperkt zich natuurlijk bijna uitsluitend tot het wijzen op feiten die waar zouden zijn als de lijkwade authentiek zou zijn. Er wordt bijvoorbeeld beweerd dat het om een negatief beeld gaat van een slachtoffer van een kruisiging. Dat het een beeld is van een man die op een brutaal is geslagen op een manier die overeenkomt met de manier waarop men denkt dat Jezus werd behandeld. Er wordt ook beweerd dat de afbeelding geen schilderij is, maar een beeld dat op miraculeuze manier werd overgebracht.

De handel in relikwieën

Skeptici geloven dat de lijkwade van Turijn gewoon een van de religieuze relikwieën is die werden uitgevonden om de business van de pelgrimstochten aan te zwengelen of om indruk te maken op ongelovigen. (Een ander even beroemd schilderij, dat ook op miraculeuze wijze op een doek zou zijn verschenen, dook op in Mexico in de 16de eeuw: "Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe.") De argumenten die er op wijzen dat de lijkwade een vervalsing is, worden het duidelijkst uiteengezet door Joe Nickell in zijn boek Inquest On The Shroud Of Turin (Onderzoek naar de Lijkwade van Turijn), dat hij schreef in samenwerking met een panel van wetenschappelijke en technische experts. De auteur beweert dat historisch, iconografisch, pathologisch, fysiek en chemisch bewijsmateriaal wijst in de richting van een vervalsing. De lijkwade is een schilderij uit de 14de eeuw, geen 2000 jaar oud doek met een afbeelding van Christus.

De theorie van McCrone is dat "een man werd ingesmeerd met verf en dan omwikkeld met het laken om een schaduwachtige figuur van Christus te bekomen." De man werd bedekt met rode oker, "een pigment dat men vindt in aarde en dat in de middeleeuwen frequent gebruikt werd in Italië, en zijn voorhoofd, kaakbeenderen en andere delen van zijn lichaam werden op het linnen gedrukt om het beeld te creëren dat we vandaag kennen. Vermiljoenkleurige verf, gemaakt van kwik sulfide, werd dan op de polsen, voeten en lichaam van de afbeelding gesprenkeld om bloed voor te stellen."

McCrone analyseerde de lijkwade en vond sporen van chemische stoffen die voorkomen in "twee pigmenten die in de 14de eeuw vaak gebruikt werden door kunstenaars, rode oker en vermiljoen, met een collageen (gelatine) tempera bindmiddel" (McCrone 1998). Zijn volledige argumentatie waarom de lijkwade een middeleeuws schilderij is, zet hij uiteen in Judgment Day for the Shroud of Turin (Dag des Oordeels voor de Lijkwade van Turijn, maart 1999).  In 2000 ontving McCrone voor zijn werk de onderscheiding voor analytische chemie van de American Chemical Society.

Het bewijs voor authenticiteit

De lijkwade heeft echter veel verdedigers die geloven dat ze hebben aangetoond dat het doek geen vervalsing is, dateert uit de tijd van Christus, een miraculeuze oorsprong heeft, enz. Er wordt beweerd dat er bloed van het type AB op de lijkwade zit. Skeptici ontkennen dat. Er is geen bloed aangetroffen op de lijkwade zelf, maar op de plakband die gebruikt werd vezels van de lijkwade te halen. Opgedroogd oud bloed is zwart. De vlekken op de lijkwade zijn rood. Forensische tests op de rode materie hebben die geïdentificeerd als rode oker en vermiljoene tempera verf. Andere tests, van Adler en Heller komen tot de conclusie dat het bloed is.* Als het bloed is, dan kan het ook gaan om bloed van iemand uit de 14de eeuw. Het kan het bloed zijn van iemand die met de lijkwade werd omwikkeId, of het bloed van de maker van de lijkwade, of van om het even welk persoon die de lijkwade ooit in handen heeft gehad, of van om het even welk persoon die de plakband ooit in handen heeft gehad. Maar zelfs als er bloed op de lijkwade zat, dan kan uit dat feit geen enkele conclusie worden getrokken over de leeftijd of de echtheid van de lijkwade.

Er wordt beweerd dat er op het doek een aantal stuifmeelkorrels en afbeeldingen voorkomen van planten die alleen te vinden zijn in de streek van de Dode Zee in Israel. Avinoam Danin, een plantkundige van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem beweert dat hij stuifmeel heeft gevonden van de gundelia tournefortii en een zygophyllum fabago op de lijkwade. Hij beweert dat deze combinatie alleen voorkomt in de omgeving van Jeruzalem. Sommige believers denken dat de doornenkroon van gemaakt was van deze distelachtige plantensoort. Maar Danin onderzocht niet de lijkwade zelf. Zijn stalen van stuifmeelkorrels waren afkomstig van de Zwitserse criminoloog Max Frei, die met plakband stalen van stuimeelkorrels van de lijkwade haalde. De stuifmeelkorrels van Frei waren al van bij het begin controversieel. Frei, die ooit het vervalste "Dagboek van Hitler" voor echt verklaarde, bracht waarschijnlijk de stuifmeelkorrels zelf aan of werd bedrogen en vond de stuifmeelkorrels die een andere vrome bedrieger had aangebracht (Nickell).

Danin en zijn collega Uri Baruch beweren ook dat ze afdrukken van bloemen op de lijkwade hebben gevonden en dat die bloemen alleen maar uit Israel kunnen komen. De afbeeldingen van bloemen die zij zien, zijn echter verborgen in onregelmatige vlekken op dezelfde manier waarop de afbeelding van Jezus verborgen is op een tortilla of de afbeelding van Maria verborgen is in een boomschors. De eerste die bloemen herkende in de vlekken was een psychiater, die wellicht een specialist was in het herkennen van persoonlijkheidskenmerken in inktvlekken (Nickell, 1994).

Danin wijst er op dat een ander relikwie, waarvan men gelooft dat het een doek was dat bij de begrafenis van zweetdoek van OviedoJezus over zijn gelaat werd gelegd (het Zweetdoek van Oviedo in Spanje), dezelfde twee soorten stuifmeelkorrels bevat als de lijkwade en dat er ook bloedvlekken op zitten van het type AB. Omdat met gelooft dat het zweetdoek al bestond voor de 8ste eeuw concludeert Danin dat er "duidelijk bewijs is dat de oorspong van de lijkwade voor de achtste eeuw ligt." Men neemt aan dat het doek zich minstens sinds de periode van de Moorse invasie van Spanje in een kist met relikwieën bevond. Naar verluidt bevond het zich in de kist toen die werd geopend in 1075. Maar omdat er geen bloed zit op de lijkwade van Turijn en er geen goede reden is om in te stemmen met Danins veronderstelling dat de stuifmeelkorrels zich van bij de oorsprong op de lijkwade bevonden, is deze argumentatie vals.

In elk geval betekent het feit dat er stuifmeelkorrels die voorkomen in de buurt van de Dode Zee of Jeruzalem op de lijkwade zaten niet veel. Zelfs als de stuifmeelkorrels niet werden aangebracht door een vrome bedrieger, dan nog kunnen ze op de lijkwade terecht zijn gekomen door om het even wie ze in handen heeft gehad. Kortom, de stuifmeelkorrels kunnen afkomstig zijn van Jeruzalem uit elke periode voor of na het moment dat de lijkwade opduikt in Italië. Dit is geen erg overtuigend bewijsstuk.

De veronderstelling dat er twee doeken rond het dode lichaam van Jezus waren gewikkeld versterkt bovendien de bewering niet dat de lijkwade authentiek is, maar verzwakt ze. Hoeveel doeken zijn er nog waarvan we het bestaan nog niet kennen? Werden ze in grote hoeveelheden geproduceerd zoals de stukken van het echte kruis, stro uit de krib van Christus, stukjes van de ark van Noach? Dat er op doeken in Spanje en Italië dezelfde soort stuifmeelkorrels en bloedvlekken zitten is helemaal niet zo’n "duidelijk bewijs" dat ze uit dezelfde periode stammen, vooral omdat er duidelijk bewijs is dat de bewering dat er dezelfde soort stuifmeelkorrels en bloedvlekken op zitten niet klopt. En zelfs als het waar zou zijn, dan zou dat van weinig waarde zijn om aan te tonen dat een van beide of beide doeken het lichaam van Jezus hebben aangeraakt.

Het weefpatroon ontrafeld

Van het weefpatroon van het doek wordt beweerd dat het veelgebruikt weefpatroon was bij rijke joden in de tijd van Jezus. Het weefpatroon van een rijke jood lijkt niet consistent met het soort mensen waarvan men aanneemt dat Jezus ermee omging. Een lezer, Hal Nelson, wijst er echter op dat "het linnen doek geleverd werd door Jozef van Arimathea, die door Mattheus wordt omschreven als een "rijke man" en als een volgeling. (Het weefpatroon van Turijn is visgraat; het weefpatroon van Oviedo is taft, wat blijkbaar bewijst dat Jezus volgelingen had van alle soorten, zelfs AB.)

De afbeelding laat een man zien van ongeveer 1,80m. De afmeting en het weefpatroon hebben één onderzoeker/believer ervan overtuigd dat het doek misschien we gebruikt is als tafellaken bij het Laatste Avondmaal. Dan kan het natuurlijk ook voor allerlei andere doeleinden gebruikt zijn.

Voor degenen die erin geloven is het echter niet het wetenschappelijke bewijs van de authenticiteit van de lijkwade dat zorgt voor de speciale betekenis van de lijkwade. Het geloof in de miraculeuze oorsprong van de afbeelding vormt de essentie van hun geloof. Het mirakel wordt beschouwd als een teken dat de verrijzenis echt heeft plaatsgevonden en dat Jezus goddelijk was.

Het zoveelste relikwie?

Misschien is het meest fascinerende aspect van de controverse rond de lijkwade van Turijn de manier waarop de echte believers valse sporen blijven aanbrengen en de manier waarop skeptici daar blijven op ingaan. Danin zette zijn argumentatie over afbeeldingen van planten en stuifmeelkorrels uiteen in 1998, nadat hij een andere argumentatie over afbeeldingen van planten had aangebracht in 1997. Hij zei in zijn artikel in 1998 dat zijn bewijsmateriaal aantoonde dat "de lijkwade alleen maar uit het Nabije-Oosten afkomstig kon zijn." Een artikel van Traci Angel (8/3/99) van het persagentschap Associated Press citeert Danins bewering dat het bewijsmateriaal "duidelijk wijst in de richting van een plantencombinatie uit de omgeving van Jeruzalem." Zoiets brengt dan natuurlijk (alweer!) een levendig debat op gang over de oorsprong van de planten en de stuifmeelkorrels. Alsof dat van enig belang is. En zelfs als wordt aangetoond boven elke redelijke twijfel dat de oorsprong van de lijkwade in Jeruzalem ligt en dat ze gebruikt werd om rond het lichaam van Jezus te wikkelen, wat dan nog? Zou dit bewijzen dat Jezus is verrezen uit de dood? Helemaal niet. Het geloof dat iemand uit de dood is verrezen kan niet gebaseerd zijn op fysiek bewijs, omdat verrijzen fysiek onmogelijk is. Alleen een religieus geloof kan aan de grond liggen van een dergelijke overtuiging. Of Jezus echt ten hemel is opgestegen zal je niet sluitend kunnen bewijzen of ontkrachten door deze argumenten over de lijkwade. Uiteindelijk kan geen enkele hoeveelheid fysiek bewijs ooit aantonen dat een mens God was, dat hij ook zijn eigen vader was en dat hij verwekt was zonder dat zijn moeder ooit geslachtsverkeer had. En dus: hoeveel briljante wetenschappers er ook komen aandraven met hun briljante publicaties met bewijs voor afbeeldingen van Bijbelse touwen, sponzen, bloemen, doornen, bloed, enz., geen enkele daarvan heeft ook maar de geringste relevantie om deze geloofszaken te bewijzen.

Recente ontwikkelingen

Dr. Raymond Rogers, een gepensioneerd chemicus van het Los Alamos National Laboratory in New Mexico, beweert dat het deel van de lijkwade dat werd getest en gedateerd rond 1350 niet behoorde tot de originele lijkwade. Volgens Rogers voerden de labs die het doek dateerden in de 14de eeuw de tests uit op een lap stof die gebruikt was om schade te herstellen die ontstaan was door een brand. Hoe weet hij dat? De lap werd immers vernietigd tijdens de tests. Volgens Joe Nickell, die onderzoek verrichtte naar de lijkwade ging Rogers af "op twee kleine draadjes die naar verluidt over waren gebleven bij het nemen van de stalen " en op het woord van "onderzoekers die voorstander waren van de authenticiteit en die veronderstelden dat het staal dat gebruikt werd bij de C14-datering afkomstig was van een stuk dat was 'herwoven' tijdens een herstelling." Nickell wijst er op dat het artikel dat P.E. Damon in 1989 publiceerde in Nature duidelijk stelt dat "experten in textiel speciaal hun best deden om voor het staal dat zou worden gebruikt voor de koolstofdatering een plaats te selecteren die niet in de buurt was van herstellingen en zomen."

Nickell zegt daarover:

Rogers vergeleek de draden met een paar kleine stalen van elders op de lijkwade, en beweerde dan verschillen te vinden tussen de twee sets draden die “bewijzen” dat het staal van de koolstofdatering “geen deel uitmaakte van het originele doek” van de lijkwade van Turijn.

Een van de aangehaalde verschillen is de aanwezigheid—zogezegd alleen op “het staal van de koolstofdatering”—van katoenvezels en een deklaag van verf gemaakt uit de wortelstok van de meekrapplant in een bindmiddel waarvan zijn tests “suggereren” dat het Arabische gom is... In tegenstelling tot de bewering van Rogers echter werd er zowel katoen als meekrap aangetroffen op andere delen van de lijkwade. Beide werden specifiek vermeld door de befaamde microanalyticus Walter McCrone.

Volgens de inschatting van Dr. Rogers ligt de oorsprong van de lijkwade tussen ongeveer 1.000 v.Chr. en 1700. Maar al het bewijsmateriaal wijst in de richting van de hypothese van een middeleeuwse vervalsing. Zoals Nickell aangeeft: "er zijn geen voorbeelden van het complexe visgraat weefpatroon bekend uit de tijd van Jezus. Een lijkwade had toen in elk geval doorgaans een gewoon weefpatroon" (1998: 35). "Bovendien: bij een joodse begrafenis was het de gewoonte—zoals in het evangelie van Johannes specifiek staat beschreven voor Jezus—om meerdere doeken te gebruiken om het lijk in te wikkelen met een afzonderlijk doek over het gezicht."

“Andere elementen die wijzen in de richting van middeleeuwse namaak zijn het feit dat er geen historische vermeldingen zijn van de lijkwade voor het midden van de veertiende eeuw—toen een bisschop verslag uitbracht over de bekentenis van de kunstenaar—alsook ernstige anatomische problemen, het ontbreken van vervormingen door het omwikkelen, de mate waarin de afbeelding overeenkomt met middeleeuwse voorstellingen van Jezus en verdacht helderrode en realistische “bloedvlekken” die een batterij gesofisticeerde tests van forensische serologen niet doorstonden, naast vele andere indicatoren.” (Nickell 2005).

Het is natuurlijk mogelijk dat het doek 3.000 of 2.000 jaar oud is, zoals Rogers speculeert, maar zelfs dan kan het beeld op het doek dateren van een veel latere periode. Wat ook de juiste datering is voor het doek of de afbeelding, de datering kan niet bewijzen met enige mate van redelijke waarschijnlijkheid dat het doek de lijkwade is waarin Jezus werd gewikkeld en dat de afbeelding in een of ander opzicht miraculeus is. Het al dan niet overtuigd zijn daarvan zal altijd een kwestie van geloof zijn, niet van wetenschappelijk bewijs.

Met dank aan Jan Van Haver voor de vertaling van dit artikel.