Metafysica is een tak van de filosofie die bestaat uit ontologie (zijnsleer) en kosmologie (natuurfilosofie). In de 'ruime' zin wordt metafysica gebruikt om te verwijzen naar new age en niet-empirische begrippen zoals 'energie' (chi, prana) die in evenwicht, geharmoniseerd, afgesteld, gealigneerd, onbelemmerd, enzovoort is. Hoewel het 'metafysica' in de ruime betekenis is dat we in Het Woordenboek van de Skepticus terugvinden, hebben we het hier in dit artikel over 'metafysica' in de strikte zin.

De term 'metafysica' wordt vaak gebruikt om ideeën en theorieën op te leggen die zeggen welke soorten wezens echt zijn, wat de aard is van die wezens, en welke begrippen en taal worden gebruikt om te denken en te spreken of te schrijven over die wezens. Zo is theory of mind (het menselijk vermogen om zich een beeld te vormen van het perspectief van een ander en indirect ook van zichzelf) is een metafysische theorie die zich bezig houdt met psychische fenomenen en verwante begrippen zoals perceptie, idee, bewustzijn, herinnering, intentie, motief, redenering, enzovoort.

Maar doorgaans verwijst 'metafysica' naar algemene doctrines over de werkelijkheid, zoals materialisme and dualisme, en naar algemene beschrijvingen van de aard van de realiteit.

Waarom is er iets en niet niets? Bestaat vrije wil of wordt elke handeling bepaald door oorzaken? Werd het heelal geschapen of heeft het altijd al bestaan? Zijn er spirituele wezens? Is er leven na de dood? Wat is de aard van het heelal, van materie, causaliteit, enzvoort? Dit zijn allemaal metafysische vragen.

De meeste filosofen gaan ermee akkoord dat metafysische uitspraken niet wetenschappelijk zijn en dat tegengestelde metafysische standpunten niet op empirische wijze kunnen worden getest om na te gaan welk standpunt juist of fout is. Zo zijn materialisme en dualisme tegenstrijdig, maar beide theorieën zijn duidelijk en kloppen met de ervaring, en is er geen enkele empirische manier om welk van beide theorieën ook na te gaan.

Men zegt vaak dat de moderne filosofie begon bij Descartes, toen de filosofie zich begon te richten op epistomologische vragen, dat wil zeggen vragen wat de oorsprong, aard en beperkingen van de kennis betreft. Metafysische speculaties over soorten werkelijkheid, die op een gegeven moment de westerse filosofie beheersten, werden langzaam vervangen door voorzichtige analyses over wat op redelijke wijze kan worden verondersteld over de realiteit, rekening houdend met de manier waarop we de realiteit ervaren en hoe we ideeën over de realiteit ontwikkelen.

Filosofen geven diverse redenen waarom ze de ene metafysische overtuiging verkiezen boven de andere. Men denkt dat de eigen theorie meer samenhangend is dan die van de tegenpartij, of dat de eigen overtuiging meer verklaart of minder veronderstellingen vereist. Sommigen menen dat hun metafysische overtuigingen beter overeenkomen met wat we weten over andere disciplines zoals wetenschap, geschiedenis of psychologie. Sommigen bekritiseren de theorieën van de tegenpartij omdat men die te vergezocht vindt: mogelijk maar onwaarschijnlijk.

Sommigen verdedigen hun metafysische overtuigingen door te verwijzen naar de gevolgen ervan, zoals de overtuiging die hoop geeft op een leven na de dood of zin aan het leven. Anderen vinden dat dergelijke overwegingen niet relevant zijn voor de waarheid van de beweringen, en wijzen erop dat de overtuiging meer is gebaseerd op een verlangen dan op goede logische redenen.

Aangezien samenhangende metafysische overtuigingen niet kunnen worden weerlegd, wordt soms volgehouden dat filosofen zich houden aan hun metafysische theorieën door hun eigen karakter en temperament en niet zozeer door bewijs.

Sommigen menen dat metafysica het hoogste is in de menselijke natuur, de drift om het heelal waarin we ons bevinden, te kennen en te begrijpen terwijl we ons naar ons onvermijdelijke einde toe bewegen. Anderen vinden dat metafysica, vooral speculatieve metafysica over niet-empirische en transcendente werkelijkheden, min of meer boerenbedrog is. Misschien had Kant gelijk toen hij zei dat hoewel we er nooit moeten op hopen om een antwoord te vinden op onze metafysische vragen, we het toch niet kunnen laten ze te stellen.