Een mirakel is "een overschrijden van een natuurwet door een bepaalde wil van de God, of door de tussenkomst van een onzichtbare persoon" (Hume, 123n). Theologen van het oude en het nieuwe testament beschouwen enkel door God gewilde overtredingen van de natuurwetten als echte mirakels. Maar ze geven toe dat anderen ook de wetten van de natuur kunnen overtreden en hebben overtreden, zoals daden die toegeschreven worden aan duivelse krachten en 'valse mirakels' worden genoemd. Buiten de Bijbelse godsdiensten geloven velen in de mogelijkheid om de natuurwetten te overschrijden door wilsdaden samen met paranormale of occulte krachten. Zij verwijzen naar deze overschrijdingen niet met de term mirakels, maar noemen ze magick.

Alle godsdiensten hebben het over diverse en even geloofwaardige mirakels. Hume vergelijkt de godsdiensten op basis van hun mirakels. Elke godsdienst vindt zichzelf bijzonder gegrond en verwerpt de rivalisereden godsdiensten. Bovendien, hoe ouder en barbaarser een volk is, hoe meer mirakels en bovennatuurlijke verschijnselen ze kennen.

...een sterke reden tegen alle bovennatuurlijke en mirakuleuze relaties wordt gevormd door het feit dat ze voornamelijk voorkomen bij onwetende en barbaarse naties; of als een beschaafd volk ooit heeft toegegeven aan een van hen, dan zal dat volk ze hebben gekregen van onwetende en barbaarse voorvaders, die ze doorgaven met de onschendbare wet en autoriteit die altijd gepaard gaat met ontvangen meningen (Hume, 126).

Hoewel er tegenwoordig nog altijd heel wat mensen zijn die geloven in mirakels, is er geen enkele moderne historicus die zijn of haar boeken vult met verslagen van mirakuleuze gebeurtenissen. Het is onwaarschijnlijk dat het verslag van zelfs één enkel mirakel tegenwoordig in dergelijke teksten zou worden opgenomen. Inderdaad, enkel zij die zich richten op het bijgelovige en lichtgelovige, zoals de National Enquirer (Amerikaans pulpblad) en een goed deel van de rest van de massamedia, rapporteren makkelijk over vermeende mirakels zonder zich een sceptisch gedrag aan te meten. Geen enkel wetenschappelijk blad zou hedentendage een auteur redelijk noemen als hij of zij verslagen over mirakels in een verhandeling zou publiceren. De moderne geleerde verwerpt dergerlijke rapporten als leugens of als gevallen van collectieve hallucinatie.

Hume besefte dat hoe wetenschappelijk of rationeel een beschaving ook werd, het geloof in mirakels altijd zou blijven bestaan. De menselijke aard is zodanig dat we houden van het wonderbaarlijke en fantastische. De mens is ook zo dat we nog liever zelf de boodschapper zijn van een wonderbaarlijk en fantastisch verhaal. Hoe wonderbaarlijker ons verhaal, hoe meer verdienste zowel wij als het verhaal verkrijgen. IJdelheid, bedrog en fanatisme hebben geleid tot meer dan een vroom bedrog waarbij een heilig en pious fraud supporting a holy and verdienstelijk doel wordt gesteund met zware overdrijvingen en volstrekte leugens over het getuige zijn van mirakuleuze gebeurtenissen (Hume, 136).

Het belangrijkste argument van Hume tegen het geloof in mirakels was gebaseerd op een argument van John Tillotson, aartsbisschop van Canterbury. Tillotson en anderen zoals William Chillingworth vóór hem en zijn tijdsgenoot bisschop Edward Stillingfleet, hadden opgeroepen tot wat ze verdediging met "gezond verstand" van het Christendom noemden, d.w.z. anglicanisme. Het argument van Tillotson tegen de katholieke doctrine van transsubstantiatie of "de echte aanwezigheid" was eenvoudig en direct. Het idee gaat tegen het gezond verstand in, zei hij. De doctrine beweert dat het brood en de wijn die tijdens de communie wordt gebruikt van materie verandert zodat wat brood en wijn is voor de zintuigen eigenlijk het lichaam en bloed van Christus is. Als het op brood lijkt, naar brood ruikt, naar brood smaakt, dan is het brood. Anders geloven betekent de basis voor alle kennis gebaseerd op zintuiglijke waarneming opgeven. Alles kan dan anders zijn dan wat het lijkt. Dit argument heeft niets te maken met het sceptische argument over de onzekerheid van zintuiglijke kennis. Dit argument gaat niet over onzekerheid maar over redelijk geloof. Indien de katholieken het bij het rechte eind hebben over transsubstantiatie, dan zou een boek een bisschop kunnen zijn, bijvoorbeeld, or is een peer eigenlijjk de Basiliek van Koekelberg. De toevallige eigenschappen van een voorwerp geven de werkelijkheid niet weer. Alles dat we waarnemen heeft totaal geen verband met wat het lijkt te zijn. Een dergelijke wereld zou onredelijk en God onwaardig zijn. Als men zich in dit ene geval niet kan vertrouwen op de zintuigen, dan kunnen ze in geen enkel geval worden betrouwd. Geloven in transsubstantiatie is de basis van alle kennis verwerpen: zintuiglijke ervaring.

Hume begint zijn essay over mirakels met een lofbetuiging aan het argument van Tillotson omdat het "zo beknopt en elegant en sterk is als een argument maar kan zijn tegen een doctrine die nauwelijks een ernstige weerlegging waard is". Hij zegt vervolgens dat hij blij is dat hij

een argument ontdekte van een aard dat, indien juist, voor de wijzen en gestudeerden een eeuwigdurende controle zal zijn voor alle soorten bijgelovig bedrog, en daarom nuttig zal blijven zolang de wereld bestaat; zolang, vermoed ik, verslagen van mirakels en bovennatuurlijke verschijnselen in de geschiedenis, zowel de heilige als heidense, zal bestaan.

Zijn argument is een paradigma van eenvoud en elegantie:

Een mirakel is een overtreding van de natuurwetten; en aangezien een stevige en onveranderlijke gebeurtenis deze wetten heeft vastgelegd, is het bewijs tegen een mirakel, omwille van de aard zelf van het feit, zo goed een argument uit ervaring als maar kan worden gegeven.

Of om het nog beknopter te zeggen:

Er moet... een eenvormige ervaring zijn tegenover elke mirakuleuze gebeurtenis, anders kan die gebeurtenis geen mirakel worden genoemd.

Het logische gevolg van dit argument is dat

geen enkele getuigenis voldoende is om een mirakel te bewijzen tenzij de getuigenis van die aard is dat de onwaarheid ervan mirakuleuzer zou zijn dan het feit dat het wil bewijzen.

Wat Hume heeft gedaan is het anglicaanse 'gezond verstand'-argument gebruiken tegen de katholieke doctrine van transsubstantiatie maar toegepast op mirakels, de basis van alle religieuze sektes. De natuurwetten werden niet vastgelegd door gelijkaardige toevallige of herhaalde gebeurtenissen, maar door eenvormige ervaring. Het is "meer dan waarschijnlijk", zegt Hume, dat alle mensen moeten sterven, dat lood niet op zichzelf in de lucht kan blijven hangen en dat vuur hout verteert en gedoofd wordt door water. Als iemand aan Hume zou vertellen dat iemand door een wilsdaad lood in de lucht kan laten hangen, dan zou Hume zichzelf vragen of "de onwaarheid van de getuigenis mirakuleuzer zou zijn dan de gebeurtenis waarover het het heeft". Als dat zo is, dan zou hij de getuigenis geloven. Maar, hij gelooft dat dat er ooit een mirakel was dat bewezen werd "door zo'n volledig bewijs".

Denk aan het feit dat de eenvormigheid van ervaring van mensen over heel de wereld zegt dat een geamputeerde lichaamsdeel niet meer teruggroeit. Wat zou je dan denken mocht een vriend, een bijzonder integere wetenschapper met een diploma van Harvard, je zou zeggen dat hij in Spanje op vakantie een man had ontmoet zonder benen maar die nu loopt met twee gezonde ledematen. Hij vertelt je dat een heilige man olie op de stompjes wreef en de benen teruggroeiden. Hij leeft in een klein dorp en alle dorpelingen kunnen dit "mirakel" getuigen. Jouw vriend is ervan overtuigd dat een mirakel heeft plaatsgevonden. Wat zou je geloven? Om in dit mirakel te geloven moet je het principe van eenvormigheid van ervaring verwerpen, waarop de natuurwetten zijn gebaseerd. Je zou de fundamentele aanname van de hele wetenschap moeten verwerpen, nl. dat de natuurwetten niet kunnen worden overtreden. Er kan niet in het mirakel worden geloofd zonder een basisprincipe van empirische kennis te loochenen: dat eenzelfde zaken in eenzelfde omstandigheden leiden tot eenzelfde resultaten.

Er is uiteraard een andere constante, een ander product van eenvormige ervaring die niet mag worden vergeten: de menselijke neiging om in alle tijden wonderlijke gebeurtenissen te wensen, erdoor misleid te zijn, ze te verzinnen, ze te maken, ze op te smukken, ze te versterken, en dan te geloven in de absolute waarheid van de creaties van hun eigen passies en opgewonden verbeelding. Betekent dit dat mirakels niet kunnen voorkomen? Natuurlijk niet. Het meent echter dat wanneer over een mirakel wordt verteld, de kans groter is dat de verslaggever zich vergist, misleid is of een bedrieger is, dan dat een mirakel daadwerkelijk is voorgevallen. Geloven in een mirakel, zoals Hume zei, is geen kwestie van logisch nadenken maar van geloven.