Ondersteunde
Communicatie (OC) is een techniek waarbij naar verluidt communicatie wordt mogelijk gemaakt bij mensen die voorheen niet via spraak of gebaren konden communiceren omwille van autisme, geestelijke retardatie, hersenbeschadiging, of ziekten zoals de ziekte van Parkinson. De techniek draait om een helper die zijn of haar hand op de hand, arm of pols van de patiënt legt en een vinger gidst naar letters, woorden of afbeeldingen op een bord of toetsenbord. De patiënt is naar verluidt in staat om te communiceren via zijn of haar hand naar de hand van de helper die dan geleid wordt naar een letter, woord of afbeelding, waarbij woorden worden gespeld of complete gedachten worden uitgedrukt. Via de helpers kunnen voorheen stomme patiënten gedichten opzeggen, intellectuele conversaties op hoog niveau houden, of gewoonweg communiceren. Ouders zijn dankbaar wanneer ze ontdekken dat hun kind niet hopeloos geestelijk gehandicapt is maar over een normale of zelfs een meer dan gemiddelde intelligentie beschikt. Ondersteunde Communicatie laat hun kinderen toe hun intelligentie te tonen; het geeft hen een middel dat hen totnogtoe was ontzegd. Maar is het echt hun kind dat communiceert? Onderzoek onder beheerste omstandigheden tonen op overtuigende wijze dat de enige die communiceert de helper zelf is.

De American Psychological Association publiceerde een stellingname over Ondersteunde Communicatie, waarin het stelt dat "Onderzoeken herhaald hebben aangetoond dat ondersteunde communicatie geen wetenschappelijk onderbouwde techniek is voor individuen met autisme of geestelijke retardatie" en Ondersteunde Communicatie beschrijft als "een controversiële en onbewezen communicatieve procedure met geen enkele wetenschappelijke bewijs voor haar doeltreffendheid."

De Ondersteunde Communicatie-therapie begon in Australië met Rosemary Crossley. Het centrum van Ondersteunde Communicatie in de Verenigde Staten is de universiteit van Syracuse, die een Facilitated Communication Institute (OCI) bevat in hun School of Education. Het Ondersteunde Communicatie-Instituut werd in 1992 opgericht. Het verricht onderzoek, geeft cursussen om mensen te leren helper worden, houdt seminaries en conferenties, publiceert een driemaandelijkse nieuwsbrief en produceert en verkoopt promotiemateriaal voor Ondersteunde Communicatie, waaronder een zesdelige videoserie voor $50 per video ($250 voor de hele serie).

Terwijl diverse onderzoeken hebben aangetoond dat ondersteunde communicatie wel degelijk contact maakt met de geest van iemand die tot daarvoor tot geen communicatie in staat was, hebben de meeste onderzoeken aangetoond dat ondersteunde communicatie enkel contact maakt met het geloof en de verwachtingen van de helper. Vele onder gecontroleerde omstandigheden uitgevoerde onderzoeken slaagden er niet in enig bewijs  te leveren voor ondersteunde communicatie. Verdedigers van Ondersteunde Communicatie verklaren keer op keer dat die onderzoeken die Ondersteunde Communicatie niet valideren onbetekenend of kwaadwillig zijn. Het is nochtans onwaarschijnlijk dat er een massale samenzwering zou zijn door al diegenen die Ondersteunde Communicatie hebben onderzocht en er niet in slaagden er tot een voor deze mensen aangenaam besluit te komen.

Er zijn diverse critici van Ondersteunde Communicatie, waaronder Gina Green, Ph.D., Director of Research aan het Amerikaanse New England Centrum voor Autisme in Southboro, Massachusetts, en Associate Scientist aan het E.K. Shriver Centrum in Waltham, Massachusetts, en Howard C. Shane, Director van het Communication Enhancement Center, Department van keel-, oorheelkunde en Communicatiestoornissen aan het kinderziekenhuis van Boston, en Associate Professor van keel-, oorheelkunde in de medische faculteit van Harvard. Een bijzonder bewarende en gedetailleerde kritiek werd gegeven in het PBS-programma "Frontline" op 19 oktober 1993. Het programma werd herhaald op 17 december 1996, waarbij werd toegevoegd dat sinds de eerste uitzending de universiteit van Syracuse heeft beweerd dat ze drie onderzoeken hebben uitgevoerd  die de werkelijkheid en doeltreffendheid van Ondersteunde Communicatie bewijzen, terwijl dertig andere onderzoeken elders net tot de tegenovergestelde bevinding kwamen.

Het programma toonde helpers die naar verluidt beschreven wat hun cliënten zagen, terwijl het duidelijk was dat de hoofden van hun cliënten zodanig achteruit stonden dat ze niets anders dan het plafond konden zien. Wanneer de helpers geen voorwerp konden zien dat hun cliënt kon zien (een ondoorzichtig scherm zorgde ervoor dat de ene niet kon zien wat de andere zag), dan gaven ze steevast een fout antwoord. Bovendien gebruiken Ondersteunde Communicatie-klanten steeds een vlakke tafel of toetsebord waarover de helpen hun wijsvinger houdt. Zelfs de meest ervaren typist kan niet correct letters tikken zonder enige referentie als uitgangspunt. (Probeer weg te kijken van uw toetsenbord en een zin te tikken met slechts één vinger die je boven het toetsebord houdt.) Helpers kijken altijd naar het toetsenbord, de klanten niet. De samenhang van de berichten wijzen erop dat ze hoogstwaarschijnlijk geproduceerd worden door iemand die naar het toetsenbord kijkt.

Niettemin zijn er heel wat getuigenissen die Ondersteunde Communicatie ondersteunen, namelijk brieven van klanten die Ondersteunde Communicatie dankbaar zijn omdat die hen toeliet de wereld te tonen dat ze niet achterlijk of dom zijn. Sommigen onder hen zijn mogelijk mensen die daadwerkelijk door Ondersteunde Communicatie zijn geholpen. Het lijkt erop dat Ondersteunde Communicatie-instituten de geestelijke gehandicapten, autisten en mensen met de ziekte van Parkinson behandelen. Ik heb diverse studenten met een hersenverlamming gehad. Als student waren ze niet beter of slechter dan mijn andere studenten. Ze hebben assistenten gebruikt die hun communicatie voor me hielpen vertalen. De student had gewoonlijk een kaart (met letters of woorden of afbeeldingen) op zijn of haar schoot. De student wees vervolgens op letters of woorden en sprak soms; de assistent vertaalde dan voor mij. Wie Helen Keller, Stephen Hawking of Christy Brown kent, weet dat blindheid, doofheid, geestelijke verlamming, multiple sclerose, ALS of fysieke of neurologische stoornissen niet noodzakelijk de intelligentie beïnvloeden. Er is geen noodzakelijk verband tussen een fysieke handicap en een geestelijke handicap. We weten tevens dat dergelijke mensen vaak een assistent nodig hebben om hen te helpen communiceren. Maar wat helpers doen om mensen als Hawking of Brown te helpen is totaal verschillend van wat de lui bij ondersteunde communicatie doen.

Het is mogelijk dat enkelen die door Ondersteunde Communicatie werden geholpen, leden aan een geestelijke verlamming en geestelijk normaal of begaafd zijn. Hun helpers helpen hen hun gedachten over te brengen. Maar de overgrote meerderheid van Ondersteunde Communicatie-klanten blijkt geestelijk achtergesteld of autistisch te zijn. Hun helpers lijken eerder hun eigen gedachten te melden en niet die van hun patiënten. Interessant genoeg zijn die helpers oprecht ontdaan wanneer ze ontdekken dat ze niet echt de gedachten van hun patiënten overbrengen. Hun reactie is gelijkaardig aan die van wichelroedelopers en anderen met "speciale krachten" die, getest onder beheerste omstandigheden, ontdekken dat ze helemaal geen speciale krachten hebben.

Mocht Ondersteunde Communicatie werken, dan zou je denken dat het makkelijk te testen is door verschillende helpers bij dezelfde cliënt onder diverse beheerste omstandigheden te testen. Als verschillende "personaliteiten" naar boven komen, naargelang de helper, dan toont dit aan dat de helper de communicatie regelt. Maar gelovers in Ondersteunde Communicatie beweren dat het enkel werkt wanneer de helper en patiënt een speciale band hebben ontwikkeld. Het is interessant dat de ouders en geliefden die al jaren een band hebben met de patiënt niet in staat zijn om helpers te zijn voor hun eigen kinderen. Om te werken  vereist Ondersteunde Communicatie een soort van vreemde. En wanneer de vriendelijke vreemdelingen en hun patiënten worden getest, dan mislukken ze doorgaans. Men vertelt ons dat dit komt omdat de omstandigheden hen zenuwachtig maken. Deze ad hoc-excuses klinken bekend in de oren; ze lijken op de klachten van parapsychologen.

Ondanks alle kritiek en de vele experimenten die aantonen dat de berichten, gedichten, briljante uiteenzettingen, enz. die de helpers doorgeven van de helpers zelf afkomstig zijn, blijft Ondersteunde Communicatie het bijzonder goed doen. Gezien de praatgroepen over de hele wereld en een eerbiedwaardige positie aan een eerbiedwaardige universiteit, lijkt het er niet op dat Ondersteunde Communicatie snel zal verdwijnen. De mensen binnen de Ondersteunde Communicatie-beweging zijn ervan overtuigd dat Ondersteunde Communicatie "werkt". Skeptici denken dat er geen bewijs voor is en dat Ondersteunde Communicatie voor het grootste deel bedrog is. Het is ook gevaarlijk bedrog. Critici hebben een gelijkenis gevonden tussen de Ondersteunde Communicatie-therapie en de verdrongen herinnering-therapie: patiënten beschuldigen hun ouders en anderen ervan hen seksueel misbruikt te hebben. Men leert helpers dat zo'n 13% van hun cliënten seksueel misbruikt zijn. Deze informatie kan hun werk onbewust beïnvloeden. De helper kan zich niet inbeelden dat hij/zij de bron is van dergelijke verschrikkelijke beschuldigingen, evenmin als schooldirecteuren of politie-inspecteurs die geloven dat Ondersteunde Communicatie een magische manier is om de gedachten van een autist of ernstig geestelijk gehandicapte te kennen. Bij de verdrongen herinnering-therapie komt het bewijs naar boven wanneer een "verdrongen herinnering" aan het licht wordt gebracht of wanneer een kind wordt ondervraagd door therapeuten die opgeleid zijn om seksueel misbruikte kinderen te behandelen. Er is overweldigend bewijs voor het feit dat vele verdrongen herinneringen van seksueel misbruik, net als vele "herinneringen" van ondervraagde kinderen, hun oorsprong vinden in de hoofden en woorden van de therapeuten die deze herinneringen aan de patiënt suggereren of ze gewoon in hun hoofden plaatst. Gelijkaardige bevindingen zijn bij Ondersteunde Communicatie gemaakt: helpers melden seksueel misbruik en hun berichten werden gebruikt om ouders en anderen met seksueel misbruikte of mentaal en fysiek gehandicapte personen valselijk te beschuldigen.

De kritiek op Ondersteunde Communicatie als zou het een therapie zijn die leidt tot een heksenjacht, waarbij fatsoenlijke ouders beschuldigd worden van misbruik van hun gehandicapte kinderen, is bijzonder gerechtvaardigd. Hoe kan men zich verdedigen tegen een beschuldiging van iemand die nooit rechtstreeks kan worden ondervraagd? Missy Morton, een experte van het Ondersteunde Communicatie-Instituut suggereert het volgende:

Een helper kan zich in om het even welk geval vergissen, of kan de persoon beïnvloeden, en uit voorzorg is het nuttig om de boodschap door een tweede helper te laten herhalen. Als dit niet meteen mogelijk is, moet een beslissing worden genomen of de situatie het toelaat dat wordt gewacht op een tweede helper. Als de boodschap met een tweede helper in detail wordt bevestigd, dan is dat een bevestiging dat een beschuldiging werd gemaakt. ("Disclosures of Abuse through Facilitated Communication: Getting and Giving Support," Missy Morton, Facilitated Communication Institute Syracuse University Division of Special Education and Rehabilitation, mei 1992.)

Als er een bewijs was voor het feit dat helpers de gedachten van hun cliënten weergeven, dan zou er nog steeds reden tot zorg zijn om ervoor te zorgen dat de rechten van de beschuldigden niet worden misbruikt. Maar aangezien er een overweldigend bewijs is dat in de meeste gevallen van Ondersteunde Communicatie de helper de eigen gedachten meedeelt, moet de inspanning tegen valse beschuldigingen bijzonder groot zijn. Maar de mensen in de voorste gelederen van de beweging tonen aan hoe triviaal ze dat vinden wanneer ze focussen op dubbelzinnigheidsproblemen. Dit is de waarschuwing van mevrouw Morton voor helpers:

Ondersteunde communicatie is nooit zo snel of vloeiend als normale spraak. Berichten zijn doorgaans kort, zelfs telegrafisch kort, en kunnen bepaalde grammaticale gebreken vertonen. Het is niet altijd duidelijk wat de persoon wil zeggen met de woorden die hij of zij heeft gespeld.

Het bericht kan onvolledig zijn;

Iemand spelde MY FATHER IS F...ING ME (mijn vader misbruikt me)- duidelijk genoeg, zou je zeggen, maar niet zonder de helper het bericht vervolledigde tot MY FATHER IS F...ING ME AROUND (mijn vader houdt me voor de gek).

De gekozen letters of woorden zijn niet noodzakelijk diegene die de student echt bedoelde.

Deze aanpak van dubbelzinnige communicatie lijkt hopeloos ontoereiken. We hebben een manier nodig om te vermijden dat helpers onterecht ouders beschuldigen van gruwelijke daden tegen hun kinderen. Het is waarschijnlijk dat als de meeste helpers seksueel misbruik bleven melden, deze beweging nergens zou zijn geraakt. De rouwende, hoopvolle ouders zouden dergelijk misbruik nooit hebben getolereerd.


<volgend stuk komt niet voor in het originele artikel>

In november 2009 kom Rom Houben in het wereldnieuws. Dankzij Ondersteunde Communicatie kon Rom Houben, die al 23 jaar in vegetatieve status verkeerde na een ernstig verkeersongeval, communiceren met de buitenwereld.

Het resultaat was spectaculair: alle vorige diagnoses van andere artsen, die beweerden dat er geen communicatie mogelijk was omdat de hersenen te veel beschadigd waren, werden weggevaagd door de mooie en ontroerende volzinnen die Houben produceerde.

Skepp voerde samen met de behandelende professor een dubbele test uit. Uit  die test bleek dat Ondersteunde Communicatie helemaal niet van toepassing was - de score van de test is 0/15.

Dit was geen test van de patiënt Rom Houben, maar van ondersteunde communicatie. Deze test leerde dat er niet gecommuniceerd werd met de patiënt, maar met de helper, die bewust of onbewust de antwoorden fantaseert.