Een pseudowetenschap is een reeks ideeën gebaseerd op theorieën die als wetenschappelijk naar voren worden gebracht maar die in werkelijkheid niet wetenschappelijk zijn.

Wetenschappelijke theorieën worden gekenmerkt door onder meer het feit dat ze (a) gebaseerd zijn op empirische waarnemingen en niet op het gezag van een of andere religieuze tekst; (b) een aantal empirische fenomenen verklaren; (c) empirisch getest zijn op een betekenisvolle manier, doorgaans door specifieke voorspellingen op basis van de theorie te testen; (d) door empirische testen of door nieuwe feiten bevestigd worden of als onjuist worden beschouwd; (e) onpersoonlijk zijn en daardoor door om het even wie, ongeacht het persoonlijke religieuze of metafysische geloof, kunnen worden getest; (f) dynamisch en productief zijn, waarbij ze de onderzoekers leiden naar nieuwe kennis en begrip in de natuurlijke wereld in plaats van statisch en stilstaand waardoor geen enkel onderzoek of ontwikkeling mogelijk is; en (g) met skepticisme worden benaderd en niet met lichtgelovigheid, vooral wat betreft paranormale of bovennatuurlijke krachten, en die feilbaar zijn en als hypothese naar voren worden gebracht eerder dan dogmatisch en onfeilbaar voor te stellen.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën zijn gebaseerd op een gezaghebbende tekst en niet op waarnemingen of empirisch onderzoek. Creationisten bijvoorbeeld doen enkel waarnemingen om onfeilbare dogma's te bevestigen, niet om de waarheid over de natuurlijke wereld te ontdekken. Dergelijke theorieën zijn statisch en leiden niet tot nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen of tot een verbetering van ons inzicht in de natuurlijke wereld.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën verklaren wat niet-gelovigen niet eens kunnen waarnemen, bv. orgonische energie.

Sommige theorieën kunnen niet worden getest omdat ze stroken met elke denkbeeldige stand van zaken in de empirische wereld, bv. de engramtheorie van L. Ron Hubbard.

Sommige pseudowetenschappelijk theorieën kunnen niet worden getest omdat ze zo vaag en rekbaar zijn dat om het even welk relevant ding kan passen in de theorie, bv. het enneagram, iriscopie, de theorie over meervoudige persoonlijkheden, de Myers-Briggs Type Indicator®, de theorieën achter vele New Age psychotherapieën, en reflexologie.

Sommige theorieën werden empirisch getest maar werden onjuist bevonden of vereisen diverse ad hoc-hypotheses om ze in stand te houden, bv. astrologie, bioritme, ondersteunde communicatie, plant perception en ESP. Ondanks het klaarblijkelijk onoverkomelijke bewijs van het tegendeel van de theorieën, geven de aanhangers ervan niet op.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën steunen op mythes en legendes uit de oudheid en niet op fysiek bewijs, zelfs wanneer de interpretatie van die legendes een geloof vereist dat in tegenstrijd is met de gekende natuurwetten of met bewezen feiten, bv. de theorie van Velikovsky, von Däniken en Sitchin.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën steunen op het selectief gebruik van anekdotes, intuïtie, en voorbeelden van bevestigende gevallen, bv. antropometrie, aromatherapie, craniometrie, grafologie, metoposcopie, personologie en fysiognomiek.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën verwarren metafysische beweringen met empirische beweringen, bv. de theorieën van acupunctuur, alchemie, cellular memory, Lysenkoism, natuurgeneeswijze, reiki, rolfing, therapeutische aanraking en Ayurvedische geneeskunde.

Sommige pseudowetenschappelijke theorieën verwarren niet alleen metafysische beweringen met empirische beweringen, maar houden ook vast aan meningen die in tegenspraak zijn met gekende wetenschappelijke wetten en maken daarbij gebruik van ad hoc-hypotheses om hun geloof uit te leggen, bv. homeopathie.

Pseudowetenschappers beweren dat hun theorieën gebaseerd zijn op empirisch bewijs, en ze maken daarbij soms zelfs gebruik van wetenschappelijke methodes. Maar vaak hebben ze een onvoldoende kennis van een beheerst experiment. Vele pseudowetenschappers scheppen er genoegen in om de consistentie van hun theorieën met gekende feiten of voorspelde resultaten aan te tonen, maar vergeten daarbij dat dergelijke consistentie nog geen bewijs is. Dat een goede wetenschappelijke theorie consistent is met de feiten is een noodzakelijke voorwaarde maar is op zich niet voldoende. Een theorie die door de feiten wordt tegengesproken is uiteraard geen goede wetenschappelijke theorie, maar een theorie die wel consistent is met de feiten is niet noodzakelijk een goede theorie. Bijvoorbeeld "de waarheid van de hypothese dat de pest te wijten is aan kwade geesten kan niet worden vastgesteld door de juistheid van de conclusie dat je de ziekte kan vermijden door buiten het bereik te blijven van de kwade geesten" (Beveridge 1957, 118).