Psychokinese is het proces waarbij fysieke voorwerpen worden bewogen of op andere wijze beïnvloed door alleen maar de kracht van de geest, zonder dat er fysiek contact aan te pas komt.

Uri Geller, bijvoorbeeld, beweert dat hij sleutels en lepels kan buigen en horloges kan laten stilvallen met zijn gedachten. Anderen beweren in staat te zijn om een potlood over de tafel te laten rollen door alleen maar te willen dat dit gebeurt.

Het arsenaal tovertrucs dat gebruikt wordt om psychokinetische krachten aan te tonen is bepaald indrukwekkend.

Wetenschappers onderzoeken PK al sinds het midden van de 19de eeuw, maar het is nog niet echt gelukt om aan te tonen dat iemand zelfs maar een pluim kan bewegen zonder bedrog - waarbij het kan gaan om iets eenvoudig en voor de hand liggend, zoals blazen op de voorwerpen om ze te laten bewegen.

Er zijn talloze nauwelijks plausibele anekdotes over ESP-sterren, maar slechts weinigen beweren PK-superster te zijn. Uri Geller is er een. Een andere is Ted Owens (1920-1987), waarover parapsycholoog Jeffrey Mishlove een boek schreef. The PK Man is Mishloves uiteenzetting over Owens als een man met buitengewone paranormale krachten, een man waarvan vele anderen zouden zeggen dat hij aan waanvoorstellingen leed en die nood had aan professionele mentale verzorging. Mishlove geeft toe dat Owens een 'moeilijk karakter' had, maar hij wijst hem niet af omdat "we nog veel moeten leren over het raakvlak tussen geestesziekten en het paranormale" (Mishlove 2000: 87). Wat moeten we denken over iemand die op een wetenschappelijk congres opdaagt met een rode kinderwagen vol krantenknipsels over zijn exploten als medium, die zichzelf uitroept tot "de hoogste ambassadeur op aarde van UFO-intelligenties," en ten onrechte beweert dat hij aan wetenschappers "honderden demonstraties" heeft geleverd van zijn PK-krachten? Mishlove beweert immers dat hij er bij was in 1976 toen Owens precies dat deed als gastspreker op een congres in Londen, georganiseerd door het Institute for Parascience (Mishlove 2000: 18).

Volgens Mishlove - in zijn "waarachtig verhaal van geest boven materie" – beweert Owens meermaals spontane levitatie te hebben meegemaakt en ontvoerd te zijn door buitenaardse wezens die hem opereerden aan de hersenen, zodat ze met hem konden communiceren via telepathie. Dat zou de aliens dan zogezegd helpen bij hun project om de aarde te bestuderen (Mishlove 2000: 14, 15). In zijn boek How to Contact Space People (uitgegeven door Saucerian Books in 1969) schrijft Owen dat de buitenaardse wezens zichzelf manifesteren als insecten die lijken op sprinkhanen (twee daarvan heten Twitter en Tweeter). Hij had vele ontmoetingen met deze aliens, waarnaar hij verwees als "ruimte intelligenties" (RI’s). Hij beweerde dat zij hem hadden uitgekozen voor een belangrijke missie en ook om aan te tonen dat hij de waarheid sprak wanneer hij beweerde verantwoordelijk te zijn voor zaken zoals het verschijnen van UFO’s, hevige stormen, vliegtuigcrashes, stroomonderbrekingen en andere rampen. (De laatste persoon die op dergelijke manier was uitverkoren, volgens Owens, was Mozes.)

Mishlove begon te geloven in de krachten van Owens in 1976. Mishlove studeerde in Berkely toen hij Hal Puthoff en Russell Targ bezocht aan het Stanford Research Institute waar ze hun onderzoek deden naar zien op afstand*. Volgens Mishlove, had Owens

“een brief gestuurd naar Puthoff en Targ. De brief ging al volgt: ‘Wel, beste kerels, gewoon om aan jullie te bewijzen dat ik weldegelijk de beste paranormaal begaafde ter wereld ben, zal ik een einde maken aan de droogte die jullie nu teistert in Californië.’ En er was inderdaad op dat moment een aanhoudende droogte. Hij zei: ‘Ik zal het laten regenen en sneeuwen en hagelen. Er zullen allerlei bizarre weersfenomenen optreden, er zullen stroomonderbrekingen zijn en er zullen UFO’s worden waargenomen. En jullie plaatselijke krant zal op de voorpagina blokletteren dat de droogte voorbij is.’ Al deze dingen gebeurden binnen de drie dagen. (VIRTUAL U WITH DR. JEFFREY MISHLOVE) Zie ook hoofdstuk 2 van The PK Man.”

Ik woon al sinds 1954 in Californië en ik kan bevestigen dat er een droogte was in de jaren 70 van de twintigste eeuw, maar droogtes houden niet op in drie dagen. Als dit het enige was dat Owens deed, dat zou hij zich niet echt onderscheiden van andere paranormaal begaafden die allerlei voorspellingen doen over het weer in Californië, aardbevingen, overstromingen, branden en beroemdheden. Owens beweerde echter het weer niet alleen te voorspellen maar de weersveranderingen te veroorzaken. Mishlove verzamelde talrijke anekdotes en een paar verklaringen onder eed (veel daarvan aangedragen door Owens zelf) die getuigden dat Owens in staat was om het te laten donderen en bliksemen wanneer hij dat wou. Owens beweerde soms dat hij het weer en andere gebeurtenissen kon beïnvloeden door zijn eigen psychokinetische krachten en soms beweerde hij dat de RI’s het bewerkstelligden nadat hij hen telepathisch had doorgegeven wat hij wou dat er gebeurde.

Het is misschien zinvol om te vermelden dat Owens werkte voor de bekende parapsycholoog J. B. Rhine (1895-1980), in 1947 (Mishlove 2000: 50). Hoewel Rhine in staat bleek om paranormale krachten op het spoor te komen bij een paard, vond hij blijkbaar bij Owens niets vermeldenswaardigs.

Mishloves eigen versie van wat er volgens zijn inschatting precies gebeurde met Owens, de RI’s, en de schijnbare PK is nog vreemder dan het verhaal van Owens zelf:

“Sommigen geloven dat UFO’s een creatie zijn van onze eigen geest, anderen geloven dat ze voortkomen uit een supergeest die onze wensen en ons onbewust archetypisch symbolisme terug naar ons reflecteert. Nog anderen geloven dat het fenomeen uit een andere dimensie voortkomt dat in deze wereld binnentreedt door een paranormaal proces in de geest. Welnu, als deze algemene theorie correct is – en ik geloof dat dit ten minste deels het geval is – dan is er geen enkele reden om de mogelijkheid te verwerpen dat een UFO in het leven kan worden geroepen door het creatieve proces van één individuele geest.

Owens bezat blijkbaar al buitengewone PK-krachten lang voor zijn UFO-ervaringen. Hij was dus misschien zelf verantwoordelijk voor de UFO’s – en niet andersom!” (Mishlove 2000: 80).

Waarom ook niet? En misschien was Mishlove in werkelijkheid wel een buitenaardse sprinkhaan die zichzelf manifesteerde als parapsychologisch onderzoeker! Er zijn veel vreemde dingen mogelijk als je aanneemt dat alles wat kan bestaan ook echt bestaat en als je het principe van het scheermes van Occam verwerpt.

Dean Radin

Dean Radin beweert een aantal indrukwekkende PK-resultaten te hebben verkregen met mensen die hun mentale kracht gebruiken om de uitkomst van worpen met dobbelstenen te beïnvloeden, maar hij geeft toe niet zeker te kunnen zijn dat de resultaten niet toe te schrijven zijn aan voorkennis (Radin: 1997). Misschien had hij beter ook rekening kunnen houden met de mogelijkheid dat de dobbelstenen een bewustzijn hebben en telepathische boodschappen sturen naar zijn proefpersonen. Dat zou tenminste consistent zijn met het principe dat alles wat kan bestaan ook echt bestaat.

Radin is ook erg onder de indruk van het werk van Robert Jahn en zijn collega’s aan de universiteit van Princeton. Ze hebben niet echt iemand gevonden die een veer zelfs maar een paar centimeter kan verplaatsen door alleen maar de kracht van de geest te gebruiken, maar ze hebben een "abnormale ruis" gevonden in tientallen miljoenen pogingen om de uitkomst te beïnvloeden van een reeks willekeurige gebeurtenissen. Samengevat: omdat parapsychologen niet in staat zijn om iemand te vinden met aantoonbare psychokinetische krachten, vertellen ze ons dat er twee soorten psychokinese zijn, macro en micro. Wat de rest van de wereld verstaat onder psychokinese, noemen zij nu macro-psychokinese. Zij bestuderen echter micro-PK en ze zoeken daarbij naar kleine statistische verschillen tussen hun (heel grote hoeveelheid) gegevens en wat mag worden verwacht op basis van de kansberekening.

Radin denkt dat er “fantastische theoretische implicaties” zijn van Jahns werk (Radin 1997: 129). Wellicht is een van die implicaties dat ervaringen zoals wij die kennen, onmogelijk zouden zijn. Als mensen met hun geest een significant direct effect kunnen hebben op gebeurtenissen, dan zou er geen consistente opeenvolging van gebeurtenissen zijn en geen notie van oorzakelijkheid voor de normale opeenvolging van gebeurtenissen. Maar Radin en anderen die dit soort experimenten uitvoerden, zoals Helmut Schmidt, gaan ervan uit dat ze mentale intentie meten omdat ze mentale intentie testen. Wat ze werkelijk doen is (a) mensen vragen om zich in te spannen om een bepaalde gebeurtenis te veroorzaken met hun gedachten en (b) dan de verschillen meten tussen de voorspelling op basis van kansberekening en de werkelijke uitkomst. Zij nemen dan aan dat het verschil wordt veroorzaakt door een of andere interactie tussen geest en materie.

Als deze experimenten zo fantastisch zijn, waarom blijft de wetenschap ze dan negeren en waarom hebben niet meer mensen er weet van? Het antwoord van Radin luidt dat er “een algemene wrevel is over parapsychologie.” Volgens hem verhindert ook het feit dat "de verschillende wetenschappelijke disciplines zich elk op hun eigen eiland bevinden” de aanvaarding van het werk van parapsychologen door andere wetenschappers. Er kan ook een andere reden zijn waarom deze studies worden genegeerd door de rest van de wetenschap: ze stellen niet veel voor. Laten we even Radins eigen werk op dit domein bekijken.

Tussen 1935 en 1987 waren er volgens Radin 148 experimenten met dobbelstenen, uitgevoerd door 52 onderzoekers. Dit resulteerde in 73 publicaties over in totaal 2.569 proefpersonen en 2,6 miljoen worpen met dobbelstenen. Van de 124 studies die werden geanalyseerd, waren er 31 controlestudies waarbij 150.000 worpen plaatsvonden waarbij niet werd geprobeerd mentale kracht te gebruiken. (Radin heeft het over “gebruiken” in plaats van “proberen te gebruiken”—wat aangeeft dat hij er al van uitging dat er sprake was van mentale beïnvloeding.)

Radin en Diane Ferrari deden een meta-analyse van de gegevens uit de experimenten met dobbelstenen en stelden vast dat de controlestudies 50.02% als uitkomst opleverden (kans van 1 op 2 in vergelijking met toeval). Maar de experimentele studies (waarbij werd geprobeerd mentale beïnvloeding te gebruiken) leverden 51.2% op als uitkomst (kans van 1 op een miljard, volgens Radin.) De resultaten werden gepubliceerd in het Journal of Scientific Exploration, “Effects of consciousness on the fall of dice” (Effecten van het bewustzijn op het vallen van dobbelstenen), 1991 (Radin 1997: 134).

Radin beweert dat andere analyses hebben aangetoond dat de resultaten niet toe te schrijven zijn aan het feit dat er maar een klein aantal onderzoekers waren. Ook werden niet alleen studies met een positief resultaat geselecteerd voor de meta-analyse. Evenmin werden volgens hem studies met een negatief resultaat zonder gevolg geklasseerd (het file-drawer effect), hoewel hij niet aangeeft hoe hij precies berekende dat er 17.974 “geklasseerde” studies nodig zouden zijn per gepubliceerde studie om de gegevens teniet te doen. En dus, zegt hij, als er geen afdoende verklaring voor het resultaat kan worden gegeven door toeval, door het file-drawer effect, door fouten bij het opzetten van de studies of door het feit dat het ging om een beperkt aantal onderzoekers, dan is de verklaring voor het resultaat wellicht dat de gedachten een kleine invloed hebben op de materie.

Anderzijds werden de dobbelexperimenten kritisch geëvalueerd door Edward Girden van het Brooklyn College. Radin verwijst indirect naar Girdens werk door hem te vermelden in een voetnoot, samen met G. Murphys rapport over een publicatie van Girden over psychokinese. (Zie Radin 1997, pagina 133, voetnoot 23: “Tegen 1989 werden dobbelexperimenten in de loop van de jaren vele malen onderzocht en bekritiseerd, maar ondanks alle experimenten en onderzoek was er nog geen duidelijke consensus tot stand gekomen.”) Dat lijkt Radins manier te zijn om toe te geven dat niet iedereen het eens is met zijn rooskleurige analyse, maar hij treedt niet in detail over Girdens bezwaren. Gelukkig doet C.E.M. Hansel dat wel (The Search for Psychic Power: ESP and Parapsychology Revisited, 1989). “Slechts één van de vroege experimenten [1934-1946] maakte gebruik van een controlereeks” en dit experiment “leverde geen bewijs voor psychokinese, maar duidelijk bewijs van een probleem met de dobbelsteen, omdat die de neiging had om te vallen met de 6 bovenaan, of dat nu het gewenste resultaat was of niet” (Hansel 1989: 172). Van het latere onderzoek leverden dertien van in totaal dertig studies een positief resultaat; de overige scoorden niet hoger dan het toeval (Hansel 1989: 174). Girden paste ook de criteria toe die Rhine en Pratt (Parapsychology 1954) hadden aangeduid als voorwaarden voor een sluitende PK-test—werken met twee experimentatoren, echte willekeurige keuze van de doelen, en onafhankelijke registratie van de doelen, treffers en missers—en volgens deze criteria “kan in geen enkele van de dertien tests die een positief bewijs leveren voor psychokinese het bewijs als sluitend worden beschouwd, terwijl verschillende van de overige zeventien onderzoeken, die geen dergelijk bewijs opleverden, wel voldoen aan die voorwaarden” (Hansel 1989: 174).

Bob Park heeft gesuggereerd dat de ultieme test voor telekinese het gebruik zou zijn van een microbalans waarbij individuen of groepen proberen die te bewegen met hun gedachten (Park 2008, 138-139). Een microbalans kan metingen doen die nauwkeurig zijn tot op een miljoenste gram. Men vermoedt dat dit soort tests nog niet werd opgezet omdat de onderzoekers weten wat het resultaat zal zijn nog voor ze de test uitvoeren. Het zou voor hen ook niet eenvoudig zijn om een studie gepubliceerd te krijgen waarin ze aangeven hoe ze hun gezicht in de vreemdste plooien legden om de krachtigst mogelijke gedachten op te roepen, maar er niet in slaagden om enige beweging in de weegschaal te brengen door de negatieve energie van skeptici in de kamer ernaast of op een andere planeet.




* Voor een gedetailleerd verslag van het incompetente werk van Puthoff en Targ, verwijs ik naar hoofdstuk 13 van The Search for Psychic Power: ESP and Parapsychology Revisited van C.E.M. Hansel. (Prometheus Books, 1989). Zie ook hoofdstukken 2, 3 en 13 van The Psychology of the Psychic van David Marks (Prometheus Books. 2000), en hoofdstuk 7 van Flim-Flam! van James Randi (Prometheus Books, 1982). Wanneer u dit verslag van het werk van Puthoff en Targ gelezen hebt, zal u begrijpen waarom Randi hen de Laurel en Hardy van psi noemt.



Met dank aan Jan Van Haver voor de vertaling van dit artikel.