De Rorschachtest is een psychologische projectieve persoonlijkheidstest waarbij een analyse wordt gemaakt van iemands interpretaties van tien standaard abstracte afbeeldingen. De analyse geeft informatie over het emotionele en intellectuele karakter. De test is genoemd naar Hermann Rorschach (1884-1922) die de inktvlekken ontwikkelde, al gebruikte hij ze zelf niet voor persoonlijkheidsanalyses.

De test wordt "projectief" genoemd omdat de patiënt zijn of haar persoonlijkheid in de inktvlek moet projecteren via de interpretatie. De inktvlekken zijn met opzet vage, structuurloze entiteiten die door de patiënt een duidelijke structuur moeten krijgen. Wie gelooft in de doeltreffendheid van dergelijke testen, denkt dat ze een manier vormen om tot het diepst van de geest of het onderbewuste van de patiënt te komen. Wie dergelijke testen geeft, gelooft van zichzelf dat hij/zij een expert is in het interpreteren van de interpretaties van zijn/haar patiënten.

Maar hoe kun je bewijzen dat de interpretatie van een inktvlek (of een tekening of een voorbeeld van een handschrift of andere zaken die bij projectief testen worden gebruikt) echte eigen gevoelens weergeeft en niet het resultaat is van, laten we zeggen, creatieve expressie? Welke rechtvaardiging is er om aan te nemen dat elke interpretatie van een inktvlek niet uit de persoonlijkheid komt maar wel bedoeld is om anderen, of zelfs zichzelf, te bedriegen? Zelfs als de interpretaties voortkomen uit dat deel van de persoonlijkheid dat verlangens weergeeft, dan is het een brug te ver om van die verlangens over te gaan tot uitgevoerde acties. Bijvoorbeeld: een interpretatie kan ondubbelzinnig de wens uitdrukken om seks te hebben met de therapeut, maar dat impliceert niet dat de patiënt seks heeft gehad met de therapeut of dat de patiënt, indien de gelegenheid zich zou voordoen, ermee zou instemmen om seks te hebben met de therapeut.

De Rorschachtest is inherent problematisch. Om te beginnen, om echt projectief te zijn moet de therapeut de inktvlekken dubbelzinnig en structuurloos achten. Dat betekent dat de therapeut niet mag verwijzen naar de inktvlek wanneer hij de antwoorden van de patiënt interpreteert. In dat geval moet de projectie van de therapeut aan een derde partij worden gegeven. Dan zou die derde persoon geïnterpreteerd moeten worden door een vierde ad infinitum. Dus, de therapeut moet de interpretatie van de patiënt interpreteren zonder verwijzing naar wat geïnterpreteerd werd. Het is duidelijk dat de inktvlek dan overbodig wordt. Men kan de patiënt evengoed vragen om vlekken op de muur of de vloer te interpreteren. Met andere woorden, de interpretatie moet onderzocht worden als was het een verhaal of droom zonder specifieke verwijzing naar de werkelijkheid. Maar zelfs dan moet de therapeut een oordeel vellen over de interpretatie, dat wil zeggen de interpretatie interpreteren. Maar opnieuw, wie moet dan de intrepretatie van de therapeut interpreteren? Een andere therapeut? En wie interpreteert dan weer diens uitspraak? Enzovoort.

Om dit logische probleem te vermijden waarbij men een norm voor een norm voor een norm, enzovoort, dient te hebben, hebben de experts gestandaardiseerde interpretaties van interpretaties bedacht. Zowel de vorm als de inhoud werden gestandaardiseerd. Bijvoorbeeld, als een patiënt maar aan een klein deel van de vlek aandacht besteedt is dat 'kenmerkend voor een bezeten persoonlijkheid'; als een patiënt figuren ziet die half-mens en half-dier zijn, dan wijst dit erop datg hij vervreemd is en mogelijk op punt staat om zich schizofreen van de mensen af te wenden (Dawes, 148). Als er geen gestandaardiseerde interpretaties van de interpretaties waren, dan zouden dezelfde interpretaties van patiënten gelijkwaardige maar verschillende interpretaties kunnen krijgen van de therapeuten. Welke empirische testen werden uitgevoerd om aan te tonen dat elke gegeven interpretatie van een inktvlek kenmerkend is voor een vroeger gedrag of een toekomstig gedrag voorspelt? Kortom, het interpreteren van de inktvlektest is ongeveer zo wetenschappelijk als de interpretatie van dromen.

De enige kans om de inktvlektest wetenschappelijk relevant te maken bestond erin om deze te vormen tot een niet-projectieve test. De vlekken kunnen niet volledig structuurloos worden beschouwd, maar moeten een standaardantwoord krijgen waartegen de interpretaties van patiënten worden gehouden en als goede of slechte antwoorden worden beschouwd. Dat is wat John E. Exner deed. Het Exner-systeem gebruikt inktvlekken als een gestandaardiseerde test. Op het eerste gezicht lijkt het concept idioot. Stel je voor dat mensen worden toegelaten tot een doktersopleiding op basis van een dergelijke gestandaardiseerde test! Of dat die wordt gebruikt bij het screenen van kandidaten voor de politieschool! ('Ik werd niet toegelaten omdat ik zakte voor de inkvlektest.')

De liefhebber van de Rorschachtest moet erkennen dat inktvlekken of dromen of tekeningen of handschriften niet verschillend zijn van structuur van gesproken woorden of gebaren. Elk van hen kan leiden tot een hoop interpretaties, sommige juist, sommige foutief, sommige betekenisvol, sommige betekenisloos. Het is een onbewezen veronderstelling dat interpretaties van dromen of inktvlekken komen uit een bron diep in het onbewuste die de "echte" persoonlijkheid wil onthullen. De geest is een doolhof en het is een hersenschim te denken dat de inktvlek de draad van Ariadne is die de therapeut zal leiden tot het binnenste van de patiënt.