Bij deze vermeende truc, al waargenomen door duizenden mensen, gooit een Indische fakir een touw in de lucht. Het touw valt echter niet terug op de grond maar blijft stijgen tot de top ervan verdwijnt in het niets, het donker, de mist of wat dan ook. Dat op zich zou al een hele truc zijn voor de meeste mensen, maar het gaat nog verder. Een kleine jongen klimt op het niet-ondersteunde touw, dat hem op mirakuleuze wijze kan dragen, totdat ook hij in het niets, de mist of het donker of zo verdwijnt. Ook dat zou al genoeg zijn voor de meesten onder ons, maar nogmaals gaat de truc verder. De fakir neemt dan een mes, (krom)zwaard of iets gelijkaardigs en klimt op zijn beurt op het touw en verdwijnt eveneens in het niets, het donker, de mist, .... Opnieuw is dit niet voldoende. Het gaat verder.

Lichaamsdelen vallen uit de lucht op de grond in een mand naast het touw. In sommige gebieden is dat niet echt ongewoon, maar de fakir daalt dan langs het touw naar beneden, ledigt de mand, gooit een doek over de lichaamsdelen en dan verschijnt de jongen op mirakuleuze wijze met alle lichaamsdelen op de goede plaats. Dat is pas een truc, vooral aangezien het in de open lucht wordt verricht zonder hulp van ingenieurs, technici, electronica, sattelietkanalen, televisiecamera's, enz.

Het enige dat echt nodig is voor deze truc is menselijke lichtgelovigheid. Volgens Peter Lamont, een onderzoeker aan de Universiteit van Edinburgh en voormalig voorzitter van de Magic Circle in Edinburgh, was de Indische touwtruc bedrog dat door de Chicago Tribune in 1890 werd gelanceerd. Lamont beweert dat de kant een grotere oplage probeerde te verkrijgen door het publiceren van een absurd verhaal alsof ze de gebeurtenis daadwerkelijk hadden aanschouwd. De Tribune gaf het bedrog een viertal maanden later toe en sprak haar verbazing uit over het feit dat zovele mensen het verhaal daadwerkelijk hadden geloofd. De naamregel van het artikel bevatte overigens een woordpel: "Fred S. Ellmore" (Fred verkoopt meer). Ze hadden er niet aan gedacht dat hun publiek, waarvan velen geloofden in mirakels, frenologie en andere vreemde zaken, dit verhaal niet eens zo ongeloofwaardig zou achten.

Lamont heeft de Indische touwtruc jarenlang bestudeerd. Op een dag publiceerden hij en Richard Wiseman de resultaten van hun onderzoek in het blad Nature. Ze verklaarden dat het geloof in de truc te wijten was aan het 'overdrijvingseffect': hoe langer de tijdsperiode tussen het meemaken van een gebeurtenis en het vertellen erover, hoe groter de neiging om het indrukwekkende van de gebeurtenis te overdrijven.

Er zijn natuurlijk andere mogelijkheden. De meeste daarvan proberen te verklaren hoe de truc werd uitgevoerd: massahypnose, levitatie, een magische truc met spiegels of een onzichtbaar touw waaraan het omhooggegooide touw op een of andere manier is vastgemaakt, geschoren lichaamsdelen van apen, tweelingen, enz. Van de diverse verklaringen lijkt die van bedrog het meest geloofwaardige.

Het bedrog verscheen echter niet uit het niets in de Tribune. Naar verluidt bezat iemand bij de Tribune een exemplaar van een verhaal met de titel "Diefstal van een perzik" dat een deel was van Strange Stories from a Chinese Studio door P'u Sung-ling (1640-1715). Dit boek verscheen in vertaalde vorm in 1880 (London, T. De la Rue & Co.). "Diefstal van een perzik" gaat over een man op een Lentefestival die zegt dat "hij de natuurlijke gang van zaken kon wijzigen". Men vraagt de man om enkele perziken te tonen, hoewel de wintervorst nog niet verdwenen was. De man zegt dat er volgens hem enkele perziken zijn "in de hemel in de koninklijke Moedertuin", wat een verwijzing is naar een mythe over de perzikenboom van de goden waarvan het fruit "onsterfelijkheid geeft aan wie er van eet". Om in de hemel te raken, neemt de man "een koord van enkele tientallen meter lang uit zijn doos. Hij gooide vervolgens één eind hoog in de lucht waar het bleef hangen alsof iets het gegrepen had". Dan "viert hij het touw" tot het verdween in de wolken. Hij stuurt dan zijn zoon het touw op om de perziken te halen. De zoon klimt "als een spin" op het touw en "enkele ogenblikken later was hij in de wolken verdwenen". Al snel "viel een perzik zo groot als een kom" uit de lucht. Toen viel het touw naar beneden. Een minuut later viel het hoofd van de jongen op de grond. "Nadien vielen zijn armen, benen en lichaam op dezelfde manier..." De vader verzamelt de lichaamsdelen en plaatst ze in een doos. Nadat hij geld verzamelde voor de begrafeniskosten, klopt de man op de doos en zegt "Pa-pa'rh! waarom kom je er niet uit en bedank je de mensen?" De jongen springt uit de doos en buigt.

P'u vertelt het verhaal van deze "vreemde truc" alsof hij ooggetuige was "als een kleine jongen". Hij meldt ook dat hij vervolgens had gehoord dat de truc uitgevoerd kon worden door de "sekte van de Witte Lelie", een geheime vereniging in China die opgericht werd in de veertiende eeuw. Giles meldt dat de Arabier Ibn Batuta (1307-1377) een verhaal vertelt over Chinese tovenaars die "een ketting van 50 el maakten, er in mijn aanwezheid gooiden ze er een omhoog waar het bleef hangen, alsof het ergens in de lucht was vastgemaakt". De tovenaars lieten vervolgens een hond, een varken, een panter, een leeuw en een tijger langs de ketting lopen die allemaal in de lucht verdwenen. Vervolgens trokken ze de ketting naar beneden en staken het in een zak. Het publiek vroeg zich af wat er met de dieren was gebeurd.

Giles zegt in een voetnoot dat een zekere Mr. Maskelyne, "de prins van alle zwarte kunstenaars, oud of modern", dacht dat de Chinezen de truc uitvoerden met holle spiegels. (Giles verwees mogelijk naar John Nevil Maskelyne (1839-1917), die in 1865 met behulp van George A. Cooke de gebroeders Davenport ontmaskerde als frauduleuze spritualisten.)

Het is mogelijk dat de Chinezen spiegels gebruikten, maar het verhaal vond heel waarschijnlijk hun oorsprong in wat ze aan het roken waren.