Vrije wil is een begrip in de traditionele filosofie dat gebruikt wordt om te verwijzen naar de overtuiging dat het menselijk gedrag niet absoluut bepaald is door externe oorzaken, maar het resultaat is van keuzes gemaakt door de handelende persoon. Die keuzes zijn op hun beurt niet bepaald door externe oorzaken, maar worden bepaald door de motieven en voornemens van de handelende persoon, die zelf absoluut niet bepaald zijn door externe oorzaken.

Zoals steeds zullen zij die het bestaan van vrije wil ontkennen kijken naar het lot, bovennatuurlijke krachten or materiële oorzaken als de beslissende factoren van menselijk gedrag. Voorstanders van vrije wil, of indeterministen zoals ze soms worden genoemd, geloven dat terwijl al het andere in het heelal het onvermijdbare gevolg kan zijn van externe krachten, het menselijk gedrag uniek is en bepaald wordt door de handelende persoon, niet door God of de sterren of de natuurwetten.

Het traditionele begrip vrije wil kwam in de heersende stroming van de Westerse filosofie voor in metafysische vragen over verantwoordelijkheid van de mens voor moreel gedrag. Vele moderne debatten over vrije wil handelen vaak over verantwoordelijkheid voor moreel en crimineel gedrag. In de Christelijke traditie, die de kwesties rond vrije wil heeft geschetst, draait de overtuiging rond een metafysische geloof in een niet-fysieke werkelijkheid. De wil wordt gezien als een vermogen van de ziel of geest, dat buiten de natuurlijke wereld en haar heersende wetten staat. Voor velen impliceert het geloof in materialisme dan ook een ontkenning van de vrije wil.

De moderne opvatting over determinisme en vrije wil is dat het ene begrip het andere niet uitsluit. Deze opvatting begon een vaste vorm te krijgen met argumenten zoals die van Thomas Hobbes (Leviathan, XXI). God is de ultieme oorzaak van elke daad, meende Hobbes, maar zolang een persoon niet fysiek gedwongen wordt om een daad uit te voeren, is de daad vrij. Hobbes formuleerde het argument in termen van vrijheid versus noodzaak, eerder dan vrije wil versus extern bepaalde wil. Van de opeenvolging van oorzaken die ertoe leiden dat een persoon door de wind van een klif wordt geblazen, zegt men dat ze hebben geleid tot een gebeurtenis die het noodzakelijke resultaat was van een reeks oorzaken. Een persoon die van een klif springt heeft ook een reeks oorzaken die daartoe leidden, maar indien de persoon niet van de klif was gedwongen en sprong zonder onmiddellijke relevante oorzaak, dan is de daad er een van vrijheid.

Het standpunt van Hobbes toont vooruitgang in de poging om materialisme, determinisme en vrije wil te verzoenen, maar is onvoldoende. Hoewel hij aantoont dat materialisme en determinisme niet impliceren dat mensen geen metafysische vrijheid hebben, spreekt hij niet over de interne bepalende oorzaken. Het is onwaarschijnlijk dat een moderne materialist zou stellen dat, ongeacht de neurochemische toestand van een persoon, als de persoon niet van de klif word geduwd of gejaagd, maar springt, laat ons zeggen in de waan dat hij/zij kan vliegen, dit een daad is van vrijheid.

Een hedendaagse visie, die geen tegenstelling ziet tussen vrije wil en materialisme, maakt gebruik van neurologische termen. Het voornaamste discussiepunt in het debat over vrije wil/determinisme is de verantwoordelijkheid voor de eigen daden. Maar verantwoordelijkheid heeft minstens twee essentiële onderdelen: beheersing en verstand. Zelf vroege Christelijke filosofen, zoals Sint-Augustinus en Thomas van Aquino, vonden dat kleuters, jonge kinderen en zwakzinnigen een gebrek hadden aan beheersing of verstand, niet aan een of andere metafysische entiteit die nodig is voor vrije daden. Het is overduidelijk dwaas om kleuters, jonge kinderen of zwakzinnigen vrije wil toe te schrijven. Traditionele indeterministen stelden dat de vrije wil pas begint  wanneer een kind "de leeftijd van de rede" had bereikt. Bij hen die nooit het vermogen voor volwassen redelijk denken hebben bereikt, is de vrije wil nooit aanwezig geweest.

Al onze begrippen als lof en veroordeling, straf en beloning, hangen af van ons geloof in de menselijke verantwoordelijkheid. Iemand die onderontwikkelde of beschadigde hersenen of een neurochemische stoornis heeft, is niet verantwoordelijk voor zijn gedachten of daden indien de toestand ervoor zorgt dat hij die gedachten of daden niet kan begrijpen of beheersen. Zijn gedrag kunnen beheersen is geen voldoende voorwaarde om iemand verantwoordelijk te houden voor zijn daden. Een geestelijk zieke of achterlijke persoon of een kind is misschien niet in staat om de aard van zijn daden te begrijpen, maar is in staat zijn gedrag te beheersen. Het niet in staat zijn om de aard van een daad te begrijpen, ontheft iemand van de verantwoordelijkheid voor de daad, en al zeker voor het gedrag. Bijvoorbeeld, iemand kan bewust van een klif springen maar daarom nog geen zelfmoord willen plegen. Hij is misschien verantwoordelijk voor het springen van de klif, maar het zou fout zijn om te zeggen dat hij zelfmoord pleegde als hij dacht dat hij kon vliegen en niet de intentie had om zelfmoord te plegen.

Aangezien de ontwikkeling van de hersenen, schade en stoornissen in verschillende niveaus voorkomen, is het logisch dat begrip en beheersing van gedachten en daden in verschillende graden voorkomen. In het ene uiterste geval, heeft iemand weinig of geen controle over zijn of haar gedachten en daden. Zo iemand zou een modelvoorbeeld zijn van iemand zonder vrije wil. In het andere uiterste, kan iemand een schijnbaar bovenmenselijke controle uitoefenen over zijn of haar gedachten en daden. Iemand met een dergelijke zelfdiscipline zou een ware vrije persoon zijn in de metafysische zin van 'vrij'. Het is absurd en onnodig te beweren dat om echt vrij te zijn, men niet gebonden mag zijn door de wetten van oorzaak en gevolg. Het is onnodig omwille van de net gegeven redenen. Het is absurd omdat het zou betekenen dat vrije daden daden zijn zonder oorzaak. De enige vrije persoon zou diegene zijn die geen idee heeft van wat zijn of haar volgende gedachte of daad zal zijn. Zo iemand zou zo onvrij zijn als men zich maar kan inbeelden.

Tegenwoordig ligt de focus van het debat over de menselijke verantwoordelijkheid op het vermogen om de eigen gedachten en daden te beheersen, en niet op de metafysische aanwezigheid of afwezigheid van een niet-fysieke entiteit met wil. Determinisme is verenigbaar met ‘vrije wil’, hoewel men beter zou afzien van de term om aan te tonen dat het gaat om het vermogen om de eigen gedachten en daden te beheersen. Dat vermogen is onafhankelijk van de waarheid van materialisme of dualisme. Enkel bij bepaalde neurofysische en neurochemische omstandigheden kan iemand genieten van om het even welke vrijheid waartoe onze soort in staat is. Een beter begrip hierover moeten we niet verwachten van traditionele filosofen die over vrije wil versus determinisme debatteren. Neurowetenschappers zullen de kennis leveren, neurofilosofen het begrip.