Wichelroedelopen is de actie van een persoon --de wichelroedeloper genoemd--die met gebruik van een stok, twijg of iets anders --een wichelroedestok, wichelroedetwijg, of gewoon wichelroede -- zaken lokaliseert zoals ondergronds water, verborgen metaal, een begraven schat, olie, verdwenen mensen of golfballen, enz. Aangezien wichelroedelopen op geen enkel bekende wetenschappelijke of empirische wet of op de natuurwetten is gebaseerd, moet het beschouwd worden als een soort waarzeggerij en een voorbeeld van magisch denken. De wichelroedeloper probeert voorwerpen te lokaliseren met occulte middelen.

Kaartwichelroedelopers gebruiken een wichelinstrument, doorgaans een pendule, over kaarten om olie, mineralen, personen, water, enz. te lokaliseren. Hét prototype van een wichelroedeloper is echter die persoon die op een plaats loopt met een gevorkte stok om ondergronds water te lokaliseren. Wanneer hij zich boven water bevindt, wijst de stok naar beneden. (Sommige wichelroedelopers gebruiken twee stokken. De stokken kruisen elkaar boven water.) Er werden al diverse theoriën ontwikkeld om de oorzaak te verklaren van de beweging van de stokken: electromagnetische of andere subtieke geologische krachten, suggestie van anderen of van geofysische waarnemingen, ESP en andere paranormale verklaringen, enz. De meeste skeptici aanvaarden de verklaring van William Carpenter (1852). De stok beweegt door onvrijwillig motorisch gedrag, wat Carpenter omschreef als ideomotorische handeling.

In de 16e eeuw beschreef Agricola de wichelroedelopers die in een mijn met een gevorkte twijg naar metalen zochten (De re metallica). Hij vond er niet veel aan. Een mijnwerker, scheef hij:

zou geen gebruik mogen maken van een betoverde twijg, omdat, als hij voorzichtig is en onderlegd in de natuurlijke tekenen, hij begrijpt dat een gevorkte stok geen nut heeft voor hem, aangezien ... er natuurlijke aanwijzingen zijn van de aderen die hij zelf kan zien zonder de hulp van twijgen. (Geciteerd in Zusne en Jones 1989: 106)

Ondanks deze wijze raad, blijven wichelroedelopers wichelroedelopen, en beweren ze dat ze een speciale gave hebben, en dat waar ze naar zoeken energie, stralen, straling, vibraties en dergelijke uitzendt.

Werkt wichelroedelopen?

Sommige mensen zijn minder geïnteresseerd in het waarom de stokken bewegen dan in het feit of wichelroedelopen werkt. Het is duidelijk dat vele mensen geloven dat het werkt. Wichelroedelopen en andere vormen van waarzeggerij bestaan al duizenden jaren. Er zijn grote gemeenschappen wichelroedelopers in Amerika en Europa, en wichelroedelopers zijn in alle delen van de wereld elke dag actief bezig. Er zijn recent zelfs wetenschappers geweest die het bewijs wilden leveren dat wichelroedelopen werkt. Er moet dus iets van aan zijn, of tenminste, zo lijkt het toch.

Wichelroedelopen werd echter maar zelden getest. Het is in ieder geval moeilijk "een norm vast te leggen die de prestatie van de wichelroedeloper moet halen" (Zusne en Jones 1989: 108). In 1949 werd in in het Amerikaanse Maine een experiment uitgevoerd door de American Society for Psychical Research (Amerikaanse vereniging voor paranormaal onderzoek). Zevenentwintig wichelroedelopers "slaagden er totaal niet in om de diepte of het debiet van het water te schatten dat in een veld kon worden gevonden zonder tekenen van water aan de oppervlakte, terwijl een geoloog en ingenieur de diepte van zestien plaatsen op hetzelfde veld succesvol konden voorspellen..." (Zusne en Jones 1989: 108; vermeld in Vogt en Hyman: 1967). Er zijn enkele andere beheerste tests geweest van wichelroedelopen en de resultaten waren altijd aan het toeval toe te schrijven (ibid.). [Naast Vogt en Hyman, zie R. A. Foulkes (1971) "Dowsing experiments," Nature, 229, pp.163-168); M. Martin (1983-1984). "A new controlled dowsing experiment." Skeptical Inquirer. 8(2), 138-140; J. Randi(1979). "A controlled test of dowsing abilities." Skeptical Inquirer. 4(1). 16-20; en D. Smith (1982). "Two tests of divining in Australia." Skeptical Inquirer. 4(4). 34-37.]

De getuigenissen van wichelroedelopers en van zij die hen observeren, leveren het voornaamste bewijs voor wichelroedelopen. Het bewijs is eenvoudig: wichelroedelopers vinden naar wat ze wichelroedelopen en ze doen dit heel vaak. Welk ander bewijs voor wichelroedelopen wil je nog? Het feit dat dit patroon van wichelroedelopen en iets vinden herhaaldelijk voorkomt, doet vele wichelroedelopers en hun medestanders de oorzakelijke verbinding maken tussen wichelroedelopen en het vinden van water, olie, mineralen, golfballen, enz. Deze soort misleidende redenering is gekend als post hoc-redenering en is een vaak voorkomende basis voor het geloof in paranormale krachten. Het is absoluut onwetenschappelijk en ongeldig. Wetenschappelijk denken omvat een voortdurende waakzaamheid tegen zelfbedrog en voorzichtig zijn zich niet te vertrouwen op inzicht of intuïtie in plaats van rigoureus en precies empirisch testen van theoretische en oorzakelijke beweringen. Elk beheerst onderzoek van wichelroedelopers heeft aangetoond dat wichelroedelopers het niet beter doen dan iemand die per toeval vindt wat hij zoekt.

De meeste wichelroedelopers vinden het niet belangrijk om te twijfelen aan hun wichelroedekrachten of om zich af te vragen of ze zichzelf bedriegen. Ze overwegen nooit om een beheerste wetenschappelijke test af te leggen van hun krachten. Ze denken dat het feit dat ze al jaren succesvol zijn in het wichelroedelopen voldoende is als bewijs. Wanneer wichelroedelopers wetenschappelijk worden getest en de test niet doorstaan, reageren ze doorgaans oprecht verrast. Typisch is wat gebeurde toen James Randi enkele wichelroedelopers testte met een protocol waar ze allemaal akkoord mee gingen. Als ze water konden vinden in ondergrondse leidingen en in 80% van de gevallen correct waren, dan zouden ze 10.000 dollar krijgen (de beloning bedraagt nu al meer dan een miljoen dollar). Alle wichelroedelopers faalden, hoewel elk van hen beweerde heel succesvol te zijn in het vinden van water met behulp van een verscheidenheid aan niet-wetenschappelijke instrumenten, waaronder een pendule. Randi zegt: "het trieste feit is dat wichelroedelopers niet beter water vinden dan om het even wie. Maak een put om het even waar in een gebied waar water geologisch gezien kan voorkomen, en je zal het vinden."

Zowat het sterkste bewijs voor wichelroedelopen komt uit Duitsland. Er werden testen uitgevoerd in een schuur die door J.T. Enright de "Scheunen"-experimenten worden genoemd (Scheune is Duits voor schuur). In 1987 en 1988 namen meer dan 500 wichelroedelopers deel aan meer dan 10.000 dubbelblinde tests die door natuurkundigen werden gehouden in een schuur nabij München. De onderzoekers beweren dat ze op empirische wijze "een echt wichelroedefenomeen" hebben bewezen. Jim Enright van het Scripps Institute of Oceanography beoordeelde de gegevens en besloot dat het zogenaamde "echt wichelroedefenomeen" op redeljike wijze kan worden toegeschreven aan geluk. Zijn bewijs is nogal lang, maar hier is een uittreksel:

Om een lang verhaal kort te maken, de wichelroedeprestaties in de Scheunen-experimenten waren niet herhaalbaar. Het onderzoek was niet herhaalbaar op inter-individueel vlak: uit een reeks van ongeveer 500 zelfverklaarde wichelroedelopers, selecteerden de onderzoekers voor hun kritische experimenten 43 kandidaten die ze het meest veelbelovend vonden op basis van voorafgaand onderzoek; maar de onderzoekers zelf waren uiteindelijk onder de indruk van slechts enkele van de prestaties van slechts een handvol mensen uit die selecte groep. En, nog vervelender voor de hypothese, de wichelroedeprestaties waren niet herhaalbaar op inter-individueel vlak: die enkele wichelroedelopers die het op een of andere gelegenheid relatief goed leken te doen, waren in hun andere vergelijkende testen niet meer succesvol dan de rest van de "onervaren" wichelroedelopers (Enright- Water Dowsing: the Scheunen Experiments, Naturwissenschaften, vol. 82 1995).

Het schuuronderzoek zelf is merkwaardig. Het werd duidelijk afgewezen door een ander Duits onderzoek in 1992 door een groep Duitse wetenschappers en skeptici. Het Gesellschaft zur wissenschaftlichen Untersuchung von Parawissenschaften (GWUP) [Vereniging voor wetenschappelijk onderzoek naar parawetenschappen] organiseerde een drie dagen durende beheerste test van zo'n dertig meestal uit Duitsland komende wichelroedelopers. De test werd uitgevoerd in Kassel, ten noorden van Frankfurt, en werd verslaan door een lokaal televisiestation. De test behelste een plastieken buis die 50 centimeter diep was begraven in een vlak veld en waardoor een grote stroom water kon worden gelaten. Op het oppervlak was de plaats van de buis gemarkeerd met een gekleurde lijn, zodat de wichelroedelopers enkel hoefden te zeggen of er water liep door de buis. Alle wichelroedelopers ondertekenden een verklaring dat ze akkoord waren dat het om een eerlijke test ging van hun krachten en dat ze een resultaat van 100% succes verwachtten. De resultaten waren wat je van toeval zou verwachten (Randi 1995). Verdedigers van wichelroedelopen geven niet om deze resultaten, en blijven beweren dat het schuuronderzoek een wetenschappelijk leverde voor wichelroedelopen.

een ander Duits onderzoek

Een ander bewijs voor wichelroedelopen werd geleverd door de Deutsche Gesellschaft für Technische Zusammenarbeit (GTZ) [de Duitse vereniging voor technische samenwerking] die door de Duitse overheid wordt gesteund. Zij beweren bijvoorbeeld dat zij in enkele van hun wichelroedepogingen naar water een slagingspercentage haalden van meer dan 80%, "resultaten die, volgens verantwoorde experten, niet konden worden verkregen op traditionele wijze, behalve door onevenredige inbreng". Bijzonder interessant is een rapport door de natuurkundige Hans-Dieter Betz van de Universiteit van München: "Niet-conventionele Waterdetectie: Praktijktest van het Wichelroedelopen in droge gebieden", gepubliceerd in het Journal of Scientific Exploration in 1995. (Dit is dezelfde Betz die, met J. L. König, in 1989 een boek schreef over een Duits overheidsonderzoek dat de krachten bewees van wichelroedelopers om aardstralen te detecteren.) Het rapport bestrijkt een periode van tien jaar en meer dan 2000 boringen in Sri Lanka, Congo, Kenia, Namibië, Yemen en andere landen. Bijzonder indrukwekkend was het slagingspercentage van 96 procent bij 691 boringen in Sri Lanka. "Gebaseerd op de geologische ervaring in dat gebied, kan een slagingspercentage van 30 tot 50 procent worden verwacht met behulp van uitsluitend traditionele technieken", zegt Betz. Hoe hij aan dat getal komt is onbekend, vooral aangezien Sri Lanka 2.500 tot 5.000 mm regen krijgt per jaar.* "Wat onbegrijpelijk maar tegelijkertijd ontzettend nuttig is, is dat in honderden gevallen de wichelroedelopers in staat waren om de diepte van de waterbron en kracht van de bron te voorspellen tot op 10 of 20 procent. We bekeken nauwkeurig de statistieken van deze correlaties, en ze overtreffen sterk de verwachte resultaten bij toeval."

Betz sloot het toeval en het gebruik van de geologische en landschapskenmerken door wichelroedelopers uit als verklaringen voor hun succes. Hij sloot tevens "een ongekende biologische gevoeligheid voor water" uit. Betz denkt dat er "subtiele electromagnetische gradiënten" kunnen zijn die voortkomen uit kloven en waterstromen die de elektrische eigenschappen van steen en grond wijzigen. Hij denkt dat wichelroedelopers op een of andere manier deze gradiënten kunnen voelen in een hypergevoelige toestand. "Ik ben een wetenschapper", zegt Betz, "en dat zijn mijn meest geloofwaardige wetenschappelijke hypotheses op dit moment... we hebben vastgesteld dat wichelroedelopen werkt, maar we weten niet hoe of waarom." Het is natuurlijk mogelijk dat zijn wichelroedelopers slimmer zijn dan Betz en kijken naar duidelijke tekenen van water zoals plaatsen waar het gras groener is en de laagste punten van het terrein.

Er zitten echter enkele vreemde elementen in de besluiten van Betz. De meeste van zijn beweringen gaan over één enkele wichelroedeloper met de naam Schröter. Wie deze wichelroedeloper observeerde of onder welke omstandigheden hij werkte, blijft onbekend. Betz is een natuurkundige en het is niet geweten welke kennis hij heeft van hydrogeologie. Verder lijkt de speculatie van Betz dat wichelroedelopers hypergevoelige zijn voor subtiele elektromagnetische gradiënten niet gebaseerd op wetenschappelijke gegevens. In ieder geval werd de hypothese niet getest en ik ben niet zeker hoe iemand dergelijke bewering zou kunnen testen. Op z'n minst zou men verwachten dat geologische instrumenten in staat zouden zijn om dergelijke "elektromagnetische gradiënten" waar te nemen.

Wanneer anderen beheerst onderzoek verrichtten op wichelroedelopers, doen de wichelroedelopers het niet beter dan het toeval en niet beter dan niet-wichelroedelopers (Vogt en Hyman; Hyman; Enright 1995, 1996; Randi 1995). Enkele gegevens van Betz zijn zeker niet wetenschappelijk, bv. de subjectieve evaluaties van Schröter met betrekking tot zijn eigen wichelroedelopen. Een groot deel van de gegevens is weinig meer dan een verslag dat Schröter aan wichelroedelopen deed en succesvol was in het vinden van water. Betz neemt aan dat toeval of wetenschappelijke hydrogeologische procedures niet tot dezelfde of tot betere resultaten zouden hebben geleid. Het kan waar zijn dat ze in één gebied een slagingspercentage hadden van 96% met behulp van wichelroedelopen en dat "er geen enkel prospectiegebied is met vergelijkbare ondergrondse omstandigheden waar dergelijke uitstekende resultaten ooit werden behaald." Maar dit betekent helemaal niet dat wichelroedelopen iets te maken had met dat succes. Analoge ondergrondse omstandigheden lijkt een onvoldoende vergelijkingspunt om het besluit te verrechtvaardigen dat wichelroedelopen, en niet het toeval of het gebruik van geologische of landschapskenmerken, aan de basis lag van het slagingspercentage.

Blijkbaar besefte Betz dat hij zonder tests en met bovenstaande gegevens redelijke mensen niet zou kunnen overtuigen van het voor hem vaststaand feit dat wichelroedelopen een echt fenomeen is. Hij stelt dan iets voor wat hij "tests" noemt om vast te stellen dat wichelroedelopen echt is. Bij de eerste test is Schröter opnieuw betrokken. Een Noors boorteam boort twee bronnen en in beide gevallen slagen ze er niet in water te vinden. De wichelroedeloper komt erbij en vindt naar verluidt niet alleen water maar voorspelt ook de diepte en het debiet. Blijkbaar kunnen we enkel voortgaan op het woord van de wichelroedeloper. Dit is in ieder geval geen wichelroedetest, hoe indrukwekkend de test ook moge lijken.

In de tweede test bevestigt Betz dat wichelroedelopers kunnen zeggen hoe diep het water is omdat "de relevante biologische gewaarwordingen tijdens het wichelroedelopen voldoende verschillend zijn om het vereiste proces van onderscheiding en eliminatie toe te staan". Hij heeft geen bewijs voor deze bewering. In ieder geval wordt opnieuw Schröter gevraagd voor deze "test" en moet hij een plaats kiezen om een bron te boren. Hij is wederom succesvol. Deze keer bevindt zijn bron zich vlak bij een reeds aangeboorde bron en in een gekende goede locatie. Betz beweert dat er enkele geologische formaties waren die het de wichelroedeloper moeilijk zouden hebben gemaakt om voorspellingen te doen. Opnieuw was dit geen wetenschappelijke test van wichelroedelopen.

De derde test was een soort wedstrijd tussen de wichelroedeloper en een groep hydrogeologen. Het wetenschappelijke team, waarvan we geen enkel detail kennen, bestudeerde een gebied en koos 14 plaatsen om te boren. De wichelroedeloper bekeek hetzelfde gebied nadat het wetenschappelijke team zijn keuze had gemaakt, en koos 7 locaties om te boren. (Waarom ze beiden niet hetzelfde aantal locaties kozen, wordt niet uitgelegd.) Een locatie die 100 liter per minuut leverde, werd als goed beschouwd. De hydrogeologen vonden drie goede bronnen; de wichelroedeloper vond er zes. De wichelroedeloper won duidelijk de wedstrijd. Deze test bewijst echter niets over wichelroedelopen. Niettemin denk ik dat de heer Schröter bij James Randi zou moeten aankloppen om zijn paranormale krachten onder beheerste omstandigheden te bewijzen. Als hij zogoed is als hijzelf en Betz zeggen, dan zou hij daarna een bijzonder rijke man moeten zijn.

Betz heeft een heel lang verslag geschreven, dat weinig meer is dan een getuigenis van de paranormale wichelroedekrachten van de heer Schröter en een herhaling van de beweringen van het schuuronderzoek. Hij had beter een beheerst, dubbelblind experiment opgezet met de wichelroedeloper. Een experiment dat de wichelroedeloper niet toelaat zelf de omstandigheden van het experiment te bepalen en één dat niet zoveel onbeheerste variabelen zou bevatten als die die welig tierden in het tienjarige project.