Zelfbedrog is het proces of het feit waarbij we onszelf misleiden om als waar of geldig aan te nemen wat vals of ongeldig is. Kortom, zelfbedrog is een manier om onszelf vals geloof te rechtvaardigen.

Wanneer filosofen en psychologen het over zelfbedrog hebben, dan concentreren ze zich gewoonlijk op onbewuste motivaties en bedoelingen. Ze beschouwen zelfbedrog doorgaans als iets slechts, iets om zich tegen te verdedigen. Om uit te leggen hoe zelfbedrog werkt, kijken ze naar eigenbelang, vooroordeel, verlangen, onzekerheid en andere psychologische factoren die de wil om te geloven op negatieve wijze onbewust beïnvloeden. Een algemeen voorbeeld is dat van een ouder die gelooft dat zijn kind de waarheid vertelt ook al is er bewijs voor het feit dat het kind liegt. Men zegt dat de ouder zichzelf bedriegt en het kind gelooft omdat de ouder wenst dat het kind de waarheid vertelt. Een dergelijk gemotiveerd geloof wordt doorgaans meer foutief beschouwd dan een geloof dat te wijten is aan het niet in staat zijn om bewijs op een juiste manier te beoordelen. Het gaat immers om een soort morele fout, een soort oneerlijkheid, en irrationeel. In het tweede geval is het een kwestie van het lot: sommige mensen hebben nu eenmaal niet voldoende talent om juiste gevolgtrekkingen te maken uit waarnemingen en ervaring.

Het is echter mogelijk dat de ouder in bovenstaand voorbeeld het kind gelooft omdat hij of zij een intieme en ruime ervaring heeft met het kind maar niet met diegenen die het kind beschuldigen. De ouder kan best onbeïnvloed zijn door onbewuste verlangens en redeneert mogelijk op basis van wat hij of zij van het kind weet. Maar hij heeft geen weet van de andere betrokkenen. De ouder kan heel goede redenen hebben om het kind te vertrouwen en de andere te wantrouwen. Kortom, een schijnbare daad van zelfbedrog kan worden uitgelegd in puur cognitieve termen zonder enige verwijzing naar onbewuste motivaties of irrationaliteit. Het zelfbedrog is mogelijk geen morele of intellectuele fout. Het kan het onvermijdelijke existentiële resultaat zijn van een doorgaans eerlijk en intelligent persoon die zijn of haar kind bijzonder goed kent, weet dat zaken niet altijd zijn wat ze lijken, diegenen die beschuldigen weinig of niet kent, en dus onvoldoende redenen heeft om het kind in twijfel te trekken. Het zou kunnen dat een onafhankelijke partij die de situatie bestudeert, het ermee eens is dat het bewijs dat het kind liegt overweldigend is; maar indien die partij fout zou zijn, zouden we zeggen dat hij of zij zich vergist heeft, niet dat hij of zij zichzelf bedrogen heeft. We zeggen dat de ouder zichzelf bedrogen heeft omdat we aannemen dat hij of zij zich eenvoudigweg niet zomaar vergist heeft maar irrationeel is. Hoe kunnen we daar zeker van zijn?

Het zou interessanter zijn mochten we een geval hebben waarbij (1) een ouder een goede reden heeft om te geloven dat zijn of haar kind waarschijnlijk de waarheid vertelt in om het even welke situatie, (2) het objectieve bewijs wijst op onschuld, (3) de ouder geen reden heeft om diegenen die beschuldigen te vertrouwen, maar (4) de ouder diegenen die beschuldigen toch gelooft. Een dergelijk geval wordt als nagenoeg onmogelijk te verklaren geacht zonder een of ander onbewuste en irrationele motivatie (of hersenstoornis) van de ouder aan te nemen. Maar als cognitieve incompetentie toegestaan wordt als een verklaring voor schijnbaar irrationeel geloof, dan is het zelfs in dit geval niet nodig om beroep te doen op onbewuste psychologische mechanismen.

Gelukkig is het niet nodig te weten of zelfbedrog te wijten is aan onbewuste motivaties of niet om te weten dat er bepaalde situaties zijn waar zelfbedrog zo gewoon is dat we systematisch stappen moeten ondernemen om het te vermijden. Dat is het geval met het geloof in paranormale of occulte fenomenen zoals ESP, voorspellende dromen, wichelroedelopen, therapeutische aanraking, ondersteunde communicatie en een hoop andere onderwerpen die je in het Woordenboek van de skepticus terugvindt.

In How We Know What Isn't So (Hoe we weten wat niet zo is) beschrijft Amerikaans professor psychologie Thomas Gilovich de details van heel wat onderzoeken die het duidelijk maken dat we ons moeten verdedigen tegen de neigingen om

1. een verkeerd beeld te hebben van willekeurige gegevens en patronen te zien waar er geen zijn;
2. onvolledige of niet representatieve gegevens foutief te interpreteren en extra aandacht te geven aan bevestigende gegevens terwijl conclusies worden gemaakt zonder rekening te houden met of te zoeken naar ontkennende gegevens;
3. vooringenomen evaluaties te maken van dubbelzinnige of inconsistente gegevens, onkritisch te zijn tegenover ondersteunende gegevens en heel kritisch zijn tegenover niet-ondersteunende gegevens.

Omwille van deze neigingen hebben wetenschappers nood aan duidelijk omlijnd, beheerst, dubbelblind, willekeurig, herhaalbaar en openbaar onderzoek. Zoniet lopen we een enorm risico onszelf te bedriegen en dingen te geloven die niet waar zijn. Het is ook omwille van deze neigingen dat niet-wetenschappers de wetenschap zoveel mogelijk proberen te imiteren om hun overtuigingen te staven. In feite moeten wetenschappers zichzelf steeds doen herinneren aan deze neigingen en zich wapenen tegen pathologische wetenschap.

Vele mensen geloven echter dat zolang ze zichzelf wapenen tegen wishful thinking ze zichzelf niet gauw zullen bedriegen. Maar als iemand gelooft dat zich wapenen tegen wishful thinking volstaat, dan loopt men net meer en niet minder kans op zelfbedrog. Bijvoorbeeld, vele intelligente mensen hebben geïnvesteerd in vele bedrieglijke producten die beloofden geld, het milieu of de wereld te sparen, niet omdat ze zich schuldig maakten aan wishful thinking maar omdat ze dat niet deden. Aangezien ze niet schuldig waren aan wishful thinking, voelden ze er zich verzekerd van dat ze het bij het rechte eind hadden hun product te verdedigen. Ze konden makkelijk de fouten zien in de kritiek. Ze waren deskundig in het vinden van elke zwakte bij tegenstanders. Ze verdedigden hun nutteloze apparaten bijwijlen op briljante wijze. Hun fouten waren cognitief, niet emotioneel. Ze interpreteerden de gegevens foutief. Ze wijdden hun volle aandacht aan bevestigende gegevens, maar hadden geen kennis van ontkennende gegevens of vergaten die. Ze waren er zich soms niet van bewust dat de manier waarom ze gegevens selecteerden niet toeliet om ontkennende gegevens toe te staan. Ze waren bedreven in het interpreteren van gegevens op een gunstige manier terwijl het doel of de gegevens zelf dubbelzinnig of vaag waren. Soms wuifden ze inconsistente gegevens weg met briljante ad hoc hypotheses. En toch, hadden ze de tijd genomen om een duidelijke test te ontwikkelen met goede beheersmechanismen, dan hadden ze zichzelf heel wat geld en verlegenheid kunnen sparen. De verdedigers van de DKL LifeGuard en de vele verdedigers van perpetuum mobili en apparaten voor vrije energie worden niet noodzakelijk gedreven door het verlangen om te geloven in hun magische toestellen. Ze kunnen eenvoudigweg slachtoffers zijn van heel gewone cognitieve obstakels voor kritisch denken. Dit geldt ook voor alle verplegers die geloven in therapeutische aanraking en de voorstanders van verlichte communicatie, ESP, astrologie, bioritme, kristalkracht, wichelroedelopen en een hoop andere overtuigingen die duidelijk zijn weerlegd met wetenschappelijk bewijs. Kortom, zelfbedrog is niet noodzakelijk een zwakte van de wil, maar kan eenvoudigweg veroorzaakt zijn door onwetendheid, luiheid of cognitieve incompetentie.

Anderzijds is zelfbedrog niet altijd fout en kan het soms zelfs voordelig zijn. Als we té eerlijk en objectief zouden zijn over onze eigen vaardigheden en over het leven in het algemeen, dan zouden we al snel een depressie oplopen.