Zien op afstand is een extravagante naam voor telepathie of helderziendheid, het vermeende paranormale vermogen om plaatsen, personen en gebeurtenissen waar te nemen die zich niet binnen het bereik van de zintuigen bevinden. Als een "baken" wordt gebruikt om paranormale beelden te sturen, dan wordt gesproken van telepathie. Wordt geen baken gebruikt, dan gaat het om helderziendheid. De term zou zijn uitgevonden door natuurkundigen Dr. Russell Targ en natuurkundige-scientologist Dr. Harold Puthoff om hun werk met vermeende paranormaal begaafden te beschrijven voor het project Stargate van de Amerikaanse regering.

Zien op afstand is een soort paranormaal wichelroedelopen. In plaats van een twijg of iets anders, wordt gebruik gemaakt van uitsluitend paranormale krachten om indien nodig het hele universum te doorzoeken naar wat men maar wil: olie, bergen op Jupiter, een verloren kind, een begraven lichaam, de plaats waar gijzelaars op duizenden kilometer afstand wordt gehouden, een geheime vergadering in het Pentagon of het Kremlin, enz.

Ingo Swann en Harold Sherman beweren een zien op afstand van Mercurius en Jupiter te hebben gedaan. Targ en Puthoff meldden dat hun zien op afstand goed overeenkwam met de bevindingen van de ruimtetuigen Mariner 10 en Pioneer 10. Isaac Asimov maakte ook een vergelijking en vond dat 46% van de beweerde waarnemingen van de astrale reizigers foutief was. Bovendien was slechts één van de 65 beweringen van de zieners op afstand een feit dat niet duidelijk was of niet kon worden gevonden in naslagwerken (Randi 1982).

Targ en Puthoff, die door Randi de Laurel en Hardy van psi-onderzoek worden genoemd, waren niet van de wijs gebracht door het feit dat Swann beweerde tijdens zijn astrale reis op Jupiter een bergketen te zien van 10000 meter hoogte terwijl die helemaal niet bestaat. Het is moeilijk te begrijpen waarom iemand dergelijke beweringen zomaar gelooft. Als ik je vertelde dat ik naar jouw dorp was geweest en er een berg van 10 km hoog had gezien, en jij wist dat er zo geen berg was, zou je dan geloven dat ik echt jouw dorp had bezocht, zelfs indien ik het juist had dat er een rivier vlakbij is en die soms overstroomt? Swann, in een mooie ad hoc- hypothese, beweert nu dat een astrale reis zo snel gaat dat hij mogelijk niet Jupiter maar een andere planeet in het zonnestelsel zag! Er is echt waar een grote berg op een of andere planeet in een of ander zonnestelsel in een of ander heelal.

De CIA en het Amerikaanse leger vonden zien op afstand geloofwaardig genoeg om miljoenen dollar van de belastingsbetalers uit te geven aan "Stargate". Het programma omvatte het gebruik van paranormaal begaafden voor operaties zoals het proberen te lokaliseren van kolonel Khaddafi van Libië (zodat de Amerikaanse luchtmacht hem konden bombarderen) en het lokaliseren van een vermist vliegtuig in Afrika. De massamedia, die altijd veel aandacht hebben voor verspillende overheidsprogramma's, vertoonde niet veel skepticisme tegenover zien op afstand. Typisch is de reportage die in het Amerikaanse Sacramento werd getoond. De nieuwsankers Alan Frio en Beth Ruyak brachten in hun nachtelijk Channel 10-programma op 28 november 1995 een reportage over "fascinerende nieuwe bewijzen" dat zien op afstand echt werkt. Hetzelfde verhaal was die ochtend in de krant Sacramento Bee verschenen in een door Richard Cole geschreven artikel van Associated Press over "Stargate". "Een bijzonder getalenteerde ziener tekende heel nauwkeurig windmolens toen de zender bij een windmolenpark in Altamont Pass stond", schreef Cole. De "getalenteerde ziener" was Joe McMoneagle, een voormalige paranormale spion van het leger en lid van het Stargate-project. Cole baseerde zijn bewering op de getuigenis van Dr. Jessica Utts, een professor statistiek aan de Universiteit van California, die door de regering was ingehuurd om een oordeel te vormen over "paranormaal werking". Het televisiestation Channel 10 interviewde Dr. Utts, die bevestigde dat er een goede reden was om te geloven dat Joe McMoneagle inderdaad over paranormale krachten beschikte. Utts schreef diverse verhandelingen samen met natuurkundige Edwin May, die in 1985 de leiding van het zien op afstand-programma van Stargate overnam van Puthoff. Zij was dus geen onbevooroordeelde partij.

CIA-woordvoerder Mark Mansfield zei: "De CIA bekijkt de beschikbare programma's met betrekking tot parapsychologische verschijnselen, voornamelijk zien op afstand, om hun nut voor de inlichtingendienst te bepalen" (Cole 1995). Hij zegt ook dat het Stargate-programma in de jaren 1970 "niet veelbelovend" was bevonden en daarom was overgedragen aan het ministerie van defensie. Op een gegeven moment werkten maar liefst zestien paranormaal begaafden voor de Amerikaanse regering en de intelligentiedienst van Defensie stelde hen beschikbaar voor andere ministeries. Eén van de paranormaal begaafden, David Morehouse, werd aangenomen toen hij in Jordanië een kogel in z'n hoofd had gekregen en visioenen en levendige nachtmerries begon te krijgen. Hij heeft er een boek over geschreven (Psychic Warrior) dat zeker beter bevonden zal worden door de ware gelovigen dan de afwijzing van Mansfield.

McMoneagle was gewoon een van de vermeende zieners op afstand die door Targ en Puthoff aan het Stanford Research Institute (later SRI International genoemd en helemaal losstaand van de Universiteit van Stanford) werden onderzocht. Puthoff verliet SRI in 1985 en Targ in 1982 (Marks 2000: 71). May kwam bij SRI in 1975 en werd directeur van het programma toen Puthoff wegging. In 1990 verhuisde het programma naar een andere “denktank”, Science Applications International Corporation (SAIC), een grote contractant van het ministerie van defensie dat in de lijst Fortune 500 staat en wereldwijd zo'n 38.000 werknemers telt (Marks: 73). Stargate werd gestopt omdat de regering meende dat, zelfs indien er een kern van waarheid school in de beweringen van zien op afstand, die niet betrouwbaar genoeg zijn om van enige militaire waarde te zijn. Een belangrijk resultaat uit het onderzoek was dat “zowel de praktijk als de oefening er niet in slaagde om het zien op afstand voortdurend te verbeteren” (Radin 1997: 102).

Radin zegt dat het zien op afstand-programma “uiteindelijk werd afgebouwd in 1994”. Hij vermeldt niet dat de CIA ermee stopte omdat ze er na 24 jaar van experimenten van overtuigd waren dat het duidelijk was dat zien op afstand geen praktisch nut had voor de intelligentiediensten (Marks: 75). Het CIA-rapport meldde dat er in het geval van zien op afstand een hele hoop niet-relevante, foutieve informatie werd geleverd en dat de rapporten van de zieners op afstand weinig overeenstemming vertoonden (Marks: 77). Radin vermeldt niet dat May bezwaar had tegen het CIA-rapport omdat het niet vermeldde dat er vier gevallen waren waarbij het zien op afstand klopte. May publiceerde echter ook niet het feit dat er minstens zes gevallen waren van niet overeenstemmende rapporten.

McMoneagle zat 16 jaar in het leger, waarvan hij het grootste deel doorbracht als paranormale spion. Hij beweert dat hij heeft geholpen de Amerikaanse gijzelaars te lokaliseren die tijdens het presidentschap van Jimmy Carter door Iran waren gevangengenomen. Hij is nu een burgelijke paranormale adviseur en hij wendt zijn talenten nu aan voor meer betekenisvolle daden, zoals Dr. Utts aantoonde. Op de TV 10 nieuwsshow toonde ze een tekening die gemaakt zou zijn door McMoneagle en verklaarde dat het met zien op afstand was gemaakt. Een andere wetenschappelijke onderzoeker was naar de Altamont gegaan die gekend staat voor de vele kilometers aan raar ogende windmolens op hectaren heuvels. McMoneagle probeerde zijn paranormale gaven te gebruiken om te "zien" wat de onderzoeker bij Altamont zag en dan te tekenen wat hij zag. Het grote bewijs voor de waarde van paranormale spionage dat de nieuwsploeg van Sacramento leverde, bestond uit één tekening en het erewoord van Dr. Utts dat het op de Altamont leek. Ik wil getuigen dat de tekening inderdaad wat op de Altamont leek. Het leek echter ook sterk op schepen op een stormachtige zee, maar ook op puin in een bewolkte, stormachtige lucht, en op tientallen andere dingen.

Het proces dat parapsychologen gebruiken om een "treffer" van zien op afstand te beoordelen, lijkt op het proces dat gebruikt wordt in de droomtherapie-experimenten van de Maimonides. Als een aanleidende beschrijving correct lijkt, dan is het een treffer. Als dat niet zo is, maak dan gebruik van de dubbelzinnigheid van de beschrijving of verwijs naar de symbolische tekens, en dan is het ook een treffer. Met andere woorden, een treffer is een treffer en een misser is ook een treffer.

Utts en Dr. Ray Hyman, een psycholoog aan de Universiteit van Oregon en skepticus, schreven afzonderlijke rapporten over de Stargate-onderzoeken. Utts besloot dat "de paranormale werking duidelijk werd vastgesteld". Hyman was het er niet mee eens. In zijn artikel schreef Cole dat Utts en Ray Hyman stelden dat "het onderzoek op sommige vlakken foutief was. De regering maakte vaak gebruik van slechts één 'beoordelaar' om te bepalen hoe dicht de paranormaal begaafden het juiste antwoord hadden benaderd. Dat had moeten worden herhaald door andere beoordelaars."

In zijn boek The Conscious Universe looft Radin het Stargate-programma maar spreekt hij geen oordeel uit over de onderzoeken. Hij vermeldt wel enkele selectief gekozen succesvolle voorbeelden, d.w.z. rapporten of tekeningen die als zeer nauwkeurig werden bestempeld. (Verdedigers van het werk van SRI spreken graag over een tekening van de Russische militaire basis Semipalatinsk die door een CIA-tekenaar en vergelijken het met een tekening van een brugkraan door Pat Price als een bewijs van zien op afstand. Voor een voorbeeld verwijs ik naar de verdediging van Stargate door alternatief journalist Richard Milton. Zie ook Radin 1997: 26.) Wat hij niet onthult is dat een van de grootste gebreken in alle verder onderzoek naar zien op afstand —onder leiding van May— dat beter was georganiseerd qua vorm en controle dan die van Targ en Puthoff, het feit is dat May, de directeur van het programma, de enige beoordelaar was van de nauwkeurigheid van de rapporten en de experimenten in het geheim hield (waardoor beoordelingen door vakgenoten en herhaling onmogelijk werden). David Marks probeerde jaren aan een stuk de gegevens van May te krijgen, maar May liet dit niet toe (Marks 2000).

Er waren honderden, misschien duizenden pogingen waarbij een ziener op afstand iets tekende en dan mondeling vertelde wat hij zag. Het zou bijzonder ongewoon zijn mochten er niet enkele pogingen zijn waarbij de beschrijvingen heel nauwkeurig zijn. Aangezien het voor een succes nooit nodig was dat de tekening of het rapport exact was, is het altijd mogelijke dat een dubbelzinnig beeld gezien kan worden als een goede weergave van een bepaald doel, vooral als de beoordelaar weet wat het doel is! Bovendien beschikken we enkel over het woord van May om te geloven dat de bijzonder gedetailleerde beschrijvingen correct waren. Hij heeft zijn gegevens niet openbaar gemaakt.

Radin merkt op dat alle mogelijke manieren voor zintuiglijk uitlekken voorkomen kunnen worden in experimenten met zien op afstand, maar hij vermeldt niet welke methode May net heeft gebruikt om de resultaten te beoordelen. Radin zegt dat “een beoordelaar die het ware doel niet kende naar het antwoord van de ziener keek (een schets en een tweetal paragrafen beschrijving) samen met de foto's of video's van vijf mogelijke doelen. Vier van deze doelen waren vals en één ervan was het echte doel” (Radin 1997: 100). In feite werd dit verslag gebruikt door David Marks maar was hij niet in staat om de experimenten van Targ en Putoff of die van May te herhalen. Marks maakte een analyse van de experimenten van Targ en Puthoff en vond dat zij systematisch de regel van blind beoordelen overtraden. Marks vond een stevig bewijs dat Targ en Puthoff hun beoordelaars inlichtten over de data en referenties naar eerdere experimenten “waardoor de beoordelaars die verslagen konden nalezen en zo de doelen kenden” (Marks 2000: 57). Er werden door Marks (2000: zie hoofdstuk 3) en Randi (1982: zie hoofdstuk 7) nog andere gebreken in de experimenten van Targ en Puthoff gevonden, maar geen daarvan werden door Radin vermeld in zijn enthousiaste verslag van de experimenten van zien op afstand.

Radin doet het lijken alsof constructieve kritiek ertoe leidde dat onderzoekers hun methoden verfijnden om bedrog of onbewuste signalen te vermijden, maar niets is minder waar. Hij heeft het bij het rechte eind wanneer hij zegt dat de positieve resultaten van Lay van zijn analyse van alle onderzoek naar zien op afstand in SRI niet kunnen worden uitgelegd door toeval. Maar hij is fout wanneer hij beweert dat “ontwerpproblemen niet volledig de resultaten kunnen verklaren” (Radin 1997: 101). Het onderzoek in SRI was volledig gebrekkig en kon niet worden herhaald (Marks 2000). Het onderzoek van SAIC (1989-1993) was al evenzeer gebrekkig, hoewel Radin hen beschrijft als “een rigoureus beheerste reeks experimenten die werden overzien door een voornaam comité van experten uit diverse wetenschappelijke disciplines” (Radin 1997: 101). Hij vermeldt echter niet dat enkel May de gevallen beoordeelde en de gegevens niet liet zien aan de skeptici, hoewel die gegevens niet vertrouwelijk zijn.

Radins verslag van het door de CIA bestelde rapport is onrustwekkend onvolledig. Het klopt dat Jessica Utts en Ray Hyman de beoordelaars waren van het SAIC-onderzoek. Utts staat gekend als een gelover in het paranormale, dus was zij geen onbevooroordeelde partij. Hyman is een gekende skepticus, dus is ook hij niet onbevooroordeeld. De CIA wou snel een verslag en moest mensen kiezen die van het onderzoek op de hoogte waren. Ze wilden één gelover en één skepticus voor het evenwicht. De recensenten moesten zich op twee zaken concentreren: 1. Is er een wetenschappelijke verantwoording voor het bestaan van zien op afstand? 2. Is zien op afstand nuttig voor het verzamelen van geheime inlichtingen? Utts beweerde dat er een statistisch bewijs was voor het bestaan van zien op afstand; Hyman ging daar niet mee akkoord, vooral omdat slechts één beoordelaar werd gebruikt in alle onderzoek en hij de voornaamste onderzoeker was:

Het feit dat deze experimenten in hetzelfde laboratorium werden uitgevoerd, met hetzelfde basisprotocol, waarbij dezelfde zieners in de verschillende experimenten werden gebruikt, dezelfde doelen in de verschillende experimenten werden gebruikt, en dezelfde onderzoekers, verergert het probleem van onafhankelijke herhaling in plaats van het te verminderen. Het feit dat elementen zoals doelen, zieners, onderzoekers en procedures in de diverse experimenten voortdurend dezelfde zijn, vergroot de mogelijkheid dat deze gebreken erger worden.

Wat de zaken nog erger maakt, is het gebruik van dezelfde beoordelaar in alle experimenten. Het beoordelen van de antwoorden van de zieners is een kritische factor in zien op afstand-experimenten met open antwoorden. Ed May, de voornaamste onderzoeker, was -als ik het goed heb- de enige beoordelaar in alle experimenten met open antwoorden. De uitleg van May voor deze ongewone procedure is dat hij vertrouwd was met de stijl van antwoorden van de individuele zieners. Als een ziener het bijvoorbeeld over bruggen heeft, dan kan May -wegens zijn vertrouwdheid met de ziener- eruit halen dat de ziener bruggen gebruikt om te verwijzen naar om het even welk voorwerp dat zich op water bevindt. Hij kon dan het antwoord interpreteren om het met het doel te laten overeenkomen. Wat zijn uitleg ook waard is, het komt neer op een methodologie die enkele basisbeginselen van wetenschappelijke geloofwaardigheid schendt. Je zou kunnen zeggen dat de beoordelaar bijvoorbeeld niet op de hoogte zou mogen zijn van het juiste doel en evenmin van wie de ziener is. Meer nog, het grootste deel van de wetenschappelijke gemeenschap zal weigeren om bewijs te aanvaarden dat gebaseerd is op de gave van één individu. Op die manier is het vertrouwen op dezelfde beoordelaar voor alle experimenten met open antwoord zoals het experimentatoreffect. Voor zover de resultaten afhangen van een specifieke onderzoeker, wordt de wetenschappelijke objectiviteit in vraag gesteld. Een wetenschappelijk bewijs hangt af van het vermogen om het bewijs te leveren dat, in principe, elke ernstige en competente onderzoeker - ongeacht zijn of haar persoonlijkheid - kan waanemen. (Hyman 1995)

Het rapport besloot dat zien op afstand niet nuttig was waarop de CIA het programma stopzette.

Radin is oneerlijk wanneer hij zegt dat het “onderzoekscomité van de regering” tot zes algemene besluiten kwam. Hij refereert daarmee naar het artikel van Jessica Utt “Een beoordeling van het bewijs voor paranormaal werken” in het Journal of Scientific Exploration. Utts vertegenwoordigde niet de regering. In ieder geval, het eerste wat ze schreef is dat zien op afstand met open antwoorden meer succesvol was dan zien op afstand met meerkeuze-antwoorden. Dit is niet echt een verbazingwekkende bevinding. 2. Sommige mensen deden het beter dan anderen. 3. Slechts 1% van de onderzochte mensen waren goed in zien op afstand (het is een zeldzaam talent). 4. Training is nutteloos en zien op afstand kan niet worden verbeterd. 5. Feedback lijkt de prestaties te verbeteren. En 6. Het verbergen van het doel veranderde de kwaliteit van het zien op afstand niet.

Dus, Utts, die dit veld actief onderzoekt, meldt dat er een bewijs is en dat het kan worden herhaald. We hoeven niet langer naar een bewijs te zoeken. Hyman daarentegen, die om een of andere reden door Radin “de advocaat van de duivel” wordt genoemd, was het ermee eens dat de resultaten van het SAIC-onderzoek moeilijk konden worden verklaard door toeval of door ongepaste statistische tests of gevolgtrekkingen.

Radin vermeldt dat Julie Milton een analyse maakte van 78 psi-experimenten met open antwoord, die tussen 1964 en 1993 werden gehouden, en vond dat “het algemene resultaat maar één kans op tien miljoen te wijten was aan toeval” (Radin 1997: 106). Hij vermeldt niet dat slechts twee studies gepaste maatregelen had om “te verhinderen dat tips werden gegeven aan de beoordelaars en ervoor te zorgen dat de onderoeker de identiteit van het doel bij telepathie en helderziendheid niet kende” (Marks 2000: 93). Radin vermeldt evenmin dat 26% van de studies er niet in slaagde om gepaste maatregelen te nemen zodat de persoon die de beschrijving maakte de identiteit van het doel niet kende, en dat dit deze studies een beter resultaat haalden dan de studies waarbij deze maatregel wél was genomen (Marks 2000: 93-94). Zoals David Marks schrijft: “statistische relevantie en echt belang zijn niet hetzelfde” (2000: 94).

Een klassiek voorbeeld van hoe zien of afstand wordt getest, werd getoond in het wetenschapsprogramma "Telepathy" van National Geographic Channel. Ed May test Joe McMoneagle en toont onbewust dat de kernmethode van de test neerkomt op subjectieve validatie. De testmethode schijnt wetenschappelijk nauwkeurig, maar eenmaal ontleed blijkt die nauwkeurigheid niet meer dan een illusie te zijn. Een onderzoeker, Rachel Curran, fotografeert zes plaatsen in de omgeving van San Francisco Bay en geeft de foto's aan "een advocaat" die ze in twee reeksen van zes genummerde enveloppes plaatst en ze in een dossierkast plaatst die op slot wordt gedaan. De locaties zijn: een jachthaven, een steengroeve, een reusachtige sequoia-boom, het voetbalstadion van de Stanford University, de luchthaven Palo Alto en de brug van Dumbarton. Wanneer de test start, opent de advocaat de kast en vertelt ons dat niemand buiten hijzelf er toegang tot had. Hij werpt een dobbelsteen om één van de zes enveloppes te selecteren. Hij geeft de genummerde enveloppe ongeopend aan Rachel. Hij verlaat haar en zij opent de enveloppe, ziet de foto's die ze van Dumbarton Bridge nam en rijdt naar die locatie. Zij moet het "baken" zijn voor de ziener op afstand. McMoneagle en May ontmoeten elkaar in het kantoor van May. Wij worden geacht te geloven dat May niet naar de foto's heeft gekeken en niet weet waar de andere onderzoeker is terwijl Joe McMoneagle met zijn talent voor zien op afstand probeert te zien wat het baken ziet. Joe maakt tekeningen en praat luidop terwijl Ed rechtover hem aan de tafel zit en hem af en toe een foto van Rachel laat zien. Al wat McMoneagle zou weten over de locatie van Rachel is dat ze ergens in San Fransisco Bay is. Hier zijn de paranormale indrukken van Joe:

* halve boog
* iets donkers
* duister
* een gevoel dat ze ergens moest parkeren of door een tunnel of zo moest gaan, een soort wandelgang, een viaduct
* er is een steunpunt net boven haar hoofd
* we hebben een tuin, het is een formele tuin
* formele tuinen worden voorbijgegaan
* open ruimte in het centrum
* bomen
* een soort kunstwerk in het midden
* het kunstwerk is heel vreemd, het staat in kiezel, steen

Een van deze punten is relevant: het steunpunt boven het hoofd. De rest moet al bijzonder ruim worden gezien om te passen in het plaatje: het zicht bij Dumbarton bridge. Niettemin, naarmate Ed dichter bij de locatie rijdt en onder een viaduct rijdt, verklaart hij: "Nu begrijp ik wat ik te zien kreeg. Dat is precies wat ik zag." Rachel kijkt naar de baai. Er is geen halfboog, niets donkers, ze moest nergens parkeren of door tunnels of wandelgangen gaan om te raken waar ze was (ze reed recht naar de plaats), er waren geen tuinen of bomen, geen open ruimte in het centrum, geen kunstwerk, bizar of anders. Maar voor McMoneagle was dit een schot in de roos!

Zijn beschrijvingen lijken niet bepaald van toepassing op om het even welk van de zes mogelijke keuzes. Hij beschrijft duidelijk geen jachthaven, steengroeve, sequoia-boom or luchthaven. We zouden misschien een steunpunt kunnen vinden in een voetbalstadion. Er zijn zelfs misschien enkele bomen buiten het stadion en de universiteit kan ergens een formele tuin hebben. Er is ongetwijfeld kunst op de campus en een deel ervan zal waarschijnlijk raar zijn voor McMoneagle. Ik vraag me af of hij bij het rijden naar het voetbalstadion in plaats van naar Dumbarton bridge, hij ook zou gezegd hebben: "Nu begrijp ik wat ik te zien kreeg. Dat is precies wat ik zag". We zullen het nooit weten. We weten wel dat Ed May de foto's nam van de dubbele reeks enveloppes en gokte dat het doel Dumbarton bridge was. Wat moeten we daaruit opmaken? Gelukkige gok? Bedrog? Hij is paranormaal? Hij kan het nog steeds en zou ons moeten vertellen waar Osama bin Laden zich verbergt? In ieder geval, als McMoneagle de krachten heeft die hij denkt te hebben, waarom is hij dan niet in Irak om de soldaten te vertellen waar de volgende bom aan de kant van de weg zal ontploffen?