Massimo Pigliucci is zeker en vast correct wanneer hij zegt dat "het voor iedereen die geïnteresseerd is in kritisch denken en wetenschap belangrijk is om het verschil te begrijpen tussen deductie en inductie" ("Elementary, Dear Watson", mei/juni 2003). Beoefenaars van de logica hebben tientallen jaren geleden al het verschil tussen die termen bepaald als gaan van algemeen naar specifiek en vice versa. Dit klopt niet. Er wordt niet van een algemene uitspraak naar een specifieke maar van één algemene en specifieke bewering naar een andere specifieke bewering. Alle mensen zijn sterfelijk. Socrates is een mens. Daarom is Socrates sterfelijk. Algemene beweringen zijn helemaal niet nodig in de premisses van sommige deductieve beweringen. Bijvoorbeeld: "Socrates is een steenhouwer. Socrates is een filosoof. Dus minstens één steenhouwer is een filosoof." Dit is een geldige deductieve bewering. "Rumsfeld is arrogant. Rumsfeld is een Republikein. Dus alle Republikeinen zijn arrogant" is ook een deductieve bewering, maar een ongeldige, die van het specifieke naar het algemene gaat.

Pigliucci zegt dat "inductie gaat van specifieke feiten naar algemene beweringen". Dat klopt soms, maar niet altijd. Jones was gisteren te laat, dus zal hij waarschijnlijk vandaag ook te laat zijn is een inductieve bewering. Ik geeft toe dat het geen overtuigende bewering is, maar overtuigingskracht is een heel andere zaak.

De relatie algemeen-specifiek is niet voldoende om de grens tussen inductie en deductie te bepalen. Elke standaardcursus logica zal het verschil maken tussen beweringen die menen dat hun conclusie noodzakelijk volgt uit de premisses (deductieve beweringen) en beweringen die menen dat hun conclusie met een zekere graad van waarschijnlijkheid volgt uit de premisses (inductieve beweringen). Maar deze vorm van onderscheid waarbij gekeken wordt naar de noodzaak of waarschijnlijkheid van de conclusie met betrekking tot de premisses is niet zonder problemen. Eén voordeel aan het onderscheid algemeen/specifiek is dat er geen mogelijkheid is tot dubbelzinnigheid over het type waartoe een bewering hoort. Maar er zullen veel gevallen zijn waarbij het onduidelijk is of iemands conclusie volgt uit een noodzaak of niet. Er zullen ook heel wat gevallen zijn waarbij de spreker bedoelt dat de conclusie met een zeker graad van waarschijnlijkheid volgt uit de premisses, maar de gebruikte taal doet vermoeden dat de conclusie uit noodzaak volgt. Bijvoorbeeld, vele mensen zullen stellen dat aangezien de zon altijd in het oosten is opgekomen, die zon per definitie altijd in het oosten zal opkomen. Maar dat is helemaal niet noodzakelijk zo. Dat is nu toevallig het geval maar het is niet moeilijk om een aantal zaken te bedenken die de aarde kunnen overkomen waardoor haar relatie met de zon wijzigt.

Door een onderscheid te maken tussen beweringen waarvan de conclusie uit noodzaak volgt uit premisses en beweringen waarvan de conclusie met waarschijnlijkheid uit premisses volgt, maken we eigenlijk een onderscheid tussen beweringen waarvan de conclusie volgt uit de premisses en beweringen waarvan de conclusie verder gaat dan de informatie die door de premisses wordt geleverd. Een geldige deductieve bewering kan geen juiste premisses hebben én een foutieve conclusie, maar bij een overtuigende inductieve bewering kan dat wel. Dit kan vreemd lijken, maar is het niet. Zelfs bij de beste inductieve bewering zijn correcte premisses geen garantie voor een juiste conclusie. En zelfs bij de slechtst geldige deductieve bewering --dat is er een waarbij de premisses eigenlijk onjuist zijn-- kan niet gezegd worden dat als de premisses juist zouden zijn, de conclusie ook juist zou zijn. Geen enkele geldige deductieve bewering kan de juistheid van zijn premisses garanderen tenzij de premisses tautologieën zijn. (In logica is een tautologie een bewering die onmogelijk foutief kan zijn, bv. "een roos is een roos" of "het zal ofwel regenen ofwel niet regenen" of "Als Browne paranormaal en stom is, dan is Browne stom".)

Wat voor belang heeft het kennen van het verschil tussen inductie en deductie bij kritisch denken? Als u deductie begrijpt, dan zou u in staat moeten zijn te begrijpen waarom wetenschappelijk experimenten in elkaar zitten zoals ze in elkaar zitten. Bijvoorbeeld, als iemand verklaart dat hij het 'energieveld' van iemand anders kan voelen door zijn handen boven het lichaam van die persoon te houden, zoals de beoefenaars van therapeutische aanraking beweren, dan zou hij in staat moeten zijn om aan te tonen dat hij het energieveld van iemand anders kan waarnemen wanneer dat veld zich onder een van zijn handen bevindt, zelfs wanneer hij geblinddoekt is zodat hij niet kan zien welk hand zich boven het vermeende energieveld bevindt. Als iemand enkel op gevoel energievelden kan waarnemen, dan moet hij dat ook kunnen zonder visuele of auditieve hulp van het subject. Evenzo, als iemand beweert dat hij metaal of olie kan detecteren met een wichelroede, dan zou hij dat ook moeten kunnen wanneer het metaal of olie niet zichtbaar is en onder beheerste condities. Als iemand beweert in staat te zijn om iemand die achterlijk is en fysiek niet in staat is om te spreken of iets aan te wijzen te laten spreken (ondersteunde communicatie), dan zou hij in staat moeten zijn om voorwerpen exact te beschrijven die in het visuele veld van het subject staan, zelfs indien de voorwerpen niet door de beweerder zelf kunnen worden gezien.

Anderzijds zou de aard van inductie ons minstens heel bescheiden moeten maken en ons er aan herinneren dat hoe groot het bewijs voor een overtuiging ook is, die overtuiging toch onjuist kan zijn.

- naar les 2: het begrip geldigheid -