Deductieve beweringen zijn beweringen wier premisses noodzakelijk leiden tot hun conclusies (zie les 1). Als de premisses van een deductieve bewering inderdaad leiden tot hun conclusie, dan is de bewering geldig. (De term geldig wordt door de meeste gebruikers van logica niet gebruikt om te verwijzen naar inductieve beweringen, maar dat is een onderwerp voor een andere les.) Is dit niet het geval, dan is de bewering ongeldig.

Hier is een voorbeeld van een geldige bewering:

Shermer en Randi zijn skeptici.
Shermer en Randi zijn schrijvers.
Dus, sommige skeptici zijn schrijvers.

Indien een bewering geldig wordt geacht, dan is het logisch onmogelijk dat de premisses waar zijn en de conclusie onwaar. Dus, als de premisses van mijn voorbeeld waar zijn, dan moet de conclusie ook waar zijn. De premisses van deze bewering zijn toevallig waar, dus is deze bewering niet alleen geldig, maar tevens correct of steekhoudend. Een correcte of steekhoudende deductieve bewering is per definitie een bewering die geldig is en ware premisses bevat.

Een geldige bewering kan echter ook onjuiste premisses bevatten. Bijvoorbeeld,

Alle Protestanten zijn kwezels.
Alle kwezels zijn Italiaan.
Dus, alle Protestanten zijn Italiaan.

Geldig zijn is niet hetzelfde als correct. Geldigheid wordt bepaald door de verhouding van de premisses tot de conclusie in een deductieve bewering. Naar deze verhouding, in een geldige bewering, wordt verwezen als implicatie of gevolgtrekking. Van premisses van een geldige bewering wordt gezegd dat ze hun conclusie impliceren. De conclusie van een geldige bewering kan worden afgeleid van de premisses.

Hoewel heel wat fouten in deductie te wijten zijn aan onterechte afleidingen van premisses, is de overgrote meerderheid van incorrecte deductieve beweringen waarschijnlijk te wijten aan het feit dat de premisses twijfelachtig of onwaar zijn. Bijvoorbeeld, vele onderzoekers van psi hebben statistische anomalieën gevonden en hebben uit die gegevens afgeleid dat ze het bewijs voor psi hebben gevonden. De fout ligt echter bij de veronderstelling, niet bij de afleiding. De onderzoekers veronderstelden dat psi de beste verklaring was voor de statistische anomalie. Als iemand deze veronderstelling maakt, dan is de afleiding van de gegevens gerechtvaardigd. Maar de veronderstelling zelf is twijfelachtig en de beweringen die erop gebaseerd zijn zijn incorrect. Een gelijkaardige incorrecte redenering komt voor in de beweringen dat gebed geneest en dat paranormaal begaafden berichten krijgen van de doden. Onderzoekers veronderstellen dat een statistisch significante correlatie tussen bidden en genezen het best verklaard wordt door aan te nemen dat het gebed een oorzakelijke factor is, maar deze veronderstelling is twijfelachtig. Onderzoekers veronderstellen ook dat resultaten die statistisch onwaarschijnlijk zijn indien verklaard door toeval, gokken of koud lezen, het best verklaard worden door communicatie van de doden aan te nemen, maar deze veronderstelling is twijfelachtig. Deze onderzoekers redeneren echter wel goed. Dat wil zeggen, ze maken juiste afleidingen van hun gegevens. Maar de redenen waarop ze hun redenering baseren zijn foutief want twijfelachtig.

Ik wil door de bovenstaande opmerking niet suggereren dat de gegevens en methodes van deze onderzoekers niet kunnen worden bekritiseerd. Ik vind het interessant dat skeptici zich in twee groepen lijken te verdelen wanneer ze zaken bekritiseren zoals de zogenaamde hiernamaals-experimenten van Gary Schwartz. Eén groep valt de veronderstellingen aan. De andere groep bekritiseert de gegevens of de methodes die worden gebruikt om de gegevens te verkrijgen. De eerste groep vindt veronderstellingsfouten en denkfouten zoals het petitio principii, argumentum ad ignorantiam of vals dilemma. De andere groep vindt bedrog, zintuiglijke lekken, slecht gebruik van statistiek, ontoereikende beheersing en meer van dat.

Ten slotte, enkele deductieve beweringen zijn incorrect omdat ze ongeldig zijn, niet omdat hun premisses onwaar of twijfelachtig zijn. Hier volgt een incorrecte deductieve bewering waarvan de premisses mogelijk wel waar zijn:

Als mijn astroloog helderziend is, dan heeft ze mijn reisplannen correct voorspeld.
Ze heeft mijn reisplannen correct voorspeld.
Dus, mijn astroloog is helderziend.

Deze conclusie wordt niet afgeleid uit deze premisses, dus is de bewering ongeldig. Het is mogelijk dat beide premisses waar zijn, maar de conclusie is foutief. (Ze heeft bv. mijn reisplannen voorspeld omdat ze informatie kreeg van mijn reisagentschap.) Van deze bewering wordt gezegd dat het de denkfout begaat de consequentie te bevestigen. Een ander voorbeeld van deze denkfout:

Indien God het heelal schiep, moeten we orde en ontwerp in de natuur kunnen waarnemen.
We waarnemen orde en ontwerp in de natuur.
Dus, God schiep het heelal.

De premisses mogen dan al misschien waar zijn, ze leiden niet tot de gemaakte conclusie. Deze conclusie kan foutief zijn zelfs als de premisses waar zijn. (We zouden ook orde en ontwerp in de natuur moeten kunnen waarnemen indien Darwins theorie van natuurlijke selectie waar is.)