Een van de leukere zaken van een Amazing Meeting van de James Randi Educational Foundation was de tijd die werd uitgetrokken voor minilezingen. Een van die lezingen werd gegeven door Dr. Jeff Corey die experimentele psychologie doceert aan het Amerikaanse C. W. Post College. Zijn lezing behandelde "het probleem van de Wason-kaarten" en de rol ervan in het onderwijzen van kritisch denken. Vier kaarten worden getoond: A, B, 4 en 7. Op één zijde van elke kaart staat een letter, op de andere zijde een cijfer. Welke kaart(en) moet u omdraaien om te bepalen of de volgende bewering foutief is? "Als een kaart een klinker heeft op één kant, dan staat op de anderen kant een even getal."


(Ik stel voor dat u enkele minuten probeert het probleem op te lossen vooraleer verder te gaan.)

(Ik hoop dat u in staat was zich in te houden om naar de oplossing te gaan kijken maar u zelf de oplossing hebt gezocht en gevonden. Voor ik verder ga, probeer de volgende alternatieve versie op te lossen: Laat de kaarten de woorden 'bier', 'cola', '16 jaar' en '22 jaar' tonen. Op een kant van elke kaart staat de naam van een drank; de andere zijde draagte de leeftijd van de drinker. Welke kaart(en) moeten omgedraaid worden om vast te stellen of de volgende bewering foutief is? Als een persoon bier drinkt, dan is de persoon ouder dan 19.)


Ik stelde dit probleem voor aan 100 studenten. Slechts zeven daarvan vonden het juiste antwoord, wat ongeveer overeenkwam met wat werd verwacht. Er zijn diverse verklaringen voor deze resultaten. Een van de meest voorkomende verklaringen heeft te maken met voorkeur voor bevestiging (confirmation bias). Deze verklaring baseert zich op het feit dat de meerderheid van de mensen denken dat de kaarten A en 4 moeten worden omgedraaid, de kaart met de klinker en de kaart met het even getal. Men denkt dat de mensen die die kaarten willen omdraaien als volgt denken: "Ik moet A omdraaien om te zien of er een even getal staat op de achterkant en ik moet de 4 omdraaien om te zien of er een klinker staat op de achterkant". Een dergelijke redenering wijst er waaschijnlijk op dat men probeert de bewering te bevestigen. Als een kaart een klinker heeft op een kant, dan heeft het een even getal op de andere kant. Vermoedelijk denkt men dat als de bewering niet kan worden bevestigd, ze onjuist moet zijn. Deze verklaring leidt dan tot de vraag: Waarom proberen de meeste mensen een bewering te bevestigen terwijl de opdracht er in bestaat te bepalen of ze foutief is? Eén verklaring is dat mensen individuele gevallen in patronen of regels proberen in te passen. Het probleem met deze verklaring is dat we in dit geval de opdracht hebben gekregen om gevallen te vinden die de regel niet volgen. Bestaat er een of andere inherente weerstand tegen dergelijke activiteit? Zijn we zo gedreven om individuele gevallen in een regel in te passen dat we zelfs niet in staat zijn om een eenvoudige instructie te volgen om gevallen te vinden die de regel niet volgen? Of, zijn we zo gedreven dat we de neiging hebben om te denken dat de beste manier om vast te stellen of een geval een regel niet volgt, is de regel te bevestigen en als die niet kan worden bevestigd, en alleen dan, de regel als foutief beschouwen?

Corey merkte op dat wanneer het probleem niet langer in abstracte termen, zoals getallen en letters, wordt voorgesteld maar wel in concrete termen, zoals dranken en de leeftijd van de drinker, de kans op succes drastisch stijgt (zie het voorbeeld hierboven). Men zou denken dat voorkeur voor bevestiging de meeste mensen ertoe zou leiden de bierkaart en de kaart met het getal 22 om te draaien, maar dat is niet het geval. De meeste mensen zien dat de kaarten met cola en 22 niet relevant zijn om het probleem op te lossen. Als ik het me goed herinner, verklaarde Corey het verschil in succes tussen abstracte en concrete versies van het probleem met begrippen uit de evolutionaire psychologie: Het menselijk brein is ontwikkeld om practische, concrete problemen op te lossen, geen abstracte problemen. Om dit punt te bewijzen vereenvoudigde hij de abstracte test tot slechts twee kaarten (die de getallen 1 en 2 tonen). De resultaten bleven even slecht.

Ik had in mijn klas het onderwerp voorkeur voor bevestiging (confirmation bias) maar niet voorwaardelijke beweringen behandeld vooraleer ik hen het Wason-probleem voorlegde. De meerderheid bleek voorkeur voor bevestiging te begrijpen; dus, als de reden van de zwakke prestatie voorkeur voor bevestiging is, dan helpt de kennis over voorkeur voor bevestiging niet veel om deze drempel bij kritisch denken te te nemen. Dit is consequent met wat ik onderwijs. De herkenning van een drempel is een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde om die drempel te nemen. Volgend semester zal ik mijn studenten de Wason-test voorleggen nadat ik de bepaling van het waarheidsgehalte van voorwaardelijke beweringen heb uitgelegd. De reden hiervoor is dat wie de logica van voorwaardelijke beweringen heeft bestudeerd, zou moeten weten dat een voorwaardelijke bewering foutief enkel en alleen is indien het antecedent waar is en de consequentie foutief. (Het antecedent is de als-bewering; de consequentie is de bewering zelf.) Dus, de bewering Als een kaart een klinker heeft op de ene zijde, dan heeft het een even getal op de andere zijde kan enkel foutief zijn als de bewering een kaart heeft een klinker op de ene zijde waar is en de bewering het heeft een even getal op de andere zijde foutief is. Ik moet dus kijken naar de kaart met de klinker om te weten te komen wat er op de andere zijde staat omdat het een oneven getal zou kunnen zijn in welk geval de bewering foutief is. Ik moet ook kijken naar de kaart met het oneven getal om te weten te komen wat er op de andere zijde staat omdat het een klinker kan zijn in welk geval de bewering foutief is. Ik hoef niet te kijken naar de kaart met de medeklinker omdat de bewering die ik na ga niets vandoen heeft met medeklinkers. Evenmin moet ik naar de kaart met het even getal kijken omdat een klinker of medeklinker op de andere zijde me niet helpt bepalen of de bewering foutief is.

Er is een mogelijkheid dat de reden waarom vele mensen denken dat de kaart met het even getal moet worden omgedraaid, is dat ze verkeerdelijk denken dat de bewering die ze testen impliceert dat als een kaart een even getal heeft op een zijde, zij geen medeklinker kan hebben op de andere zijde. Met andere woorden, het is mogelijk dat de hoge foutenlast eerder te wijten is aan het verkeerd interpreteren van de logische implicatie dan aan voorkeur voor bevestiging. Misschien is het in de concrete versie van het probleem makkelijker te zien dat de bewering als iemand bier drinkt, dan is de persoon ouder dan 19 niet impliceert dat als iemand ouder is dan 19 hij geen cola kan drinken. Als dit het geval is, dan is een verklaring waarbij men het heeft over het verschil tussen contextuele implicatie en logische implicatie misschien een betere verklaring dan voorkeur voor bevestiging. Misschien is het de context van drinken en leeftijd van de drinker die heel wat mensen erop wijst dat een persoon ouder dan 19 kan zijn zonder bier te drinken, zonder dat daarom de geteste bewering foutief is, d.w.z. dat het niet is omdat je ouder bent dan 19 en bier drinkt dat als je ouder bent dan 19 je geen cola kan zitten drinken. Het is dus mogelijk dat in het concrete geval de mensen de logische implicatie niet beter begrijpen en geen van de gevallen wat dan ook te maken heeft met voorkeur voor bevestiging.

Anderzijds denken sommigen misschien dat als ik de even kaart omdraai en een klinker vindt, ik dan de bewering heb gestaafd, wat in de praktijk hetzelfde is als aantonen dat de bewering niet foutief maar waar is. Dit zou een klassieke voorkeur voor bevestiging zijn. Het vinden van een geval dat in de regel past is niet hetzelfde als de regel bewijzen. Maar een geval vinden dat niet in de regel past, bewijst wel dat de regel foutief is.

- naar les 4: Wason-probleem (vervolg) -