Een van de kenmerken van een afdoende weerlegging van een argument is dat het argument dat wordt weerlegd op een eerlijke en correcte manier wordt beschreven. Het verkeerd beschrijven van een argument dat men probeert te weerleggen wordt de stroman-drogreden genoemd. Het maakt niet uit of de verkeerde beschrijving toevallig is en te wijten is aan het verkeerd interpreteren van het argument, of dat het bewust is om de weerlegging makkelijker te maken. In beide gevallen gaat het om een stroman-drogreden.

Met andere woorden, wie een stroman-drogreden aanvalt, valt het standpunt aan die hijzelf heeft gecreëerd, niet dat van een ander. De weerlegging kan dan correct klinken bij iemand die niet bekend is met het originele argument.

Om het voorbeeld van de stroman-drogreden dat ik hier zal geven beter te begrijpen, raad ik aan om eerst mijn artikel over het onderbewuste te lezen en te bekijken wat hieromtrent mijn argumenten en standpunten zijn. De stroman die ik zal voorstellen was gecreëerd door Karl Tyler in Engeland in een bespreking van Het Woordenboek van de skepticus op Amazon.com.

In een wereld waarin de informatiestroom die ons dagelijks bestormt een echte vloedgolf is geworden, is het ontmaskeren van mythes, geklets van verkopers en dergelijke niet alleen plezierig leesvoer, het heeft ook echt nut - MAAR UITSLUITEND indien het correct wordt gebracht.

In dit geval, vertelt het boek ons jammer genoeg weinig meer dan welke groepen en ideeën de sarcastische afkeuring verdienen van de auteur. Wat we NIET te weten komen is wat werkelijk de inhoud van dit boek heeft gevormd, ondanks het feit dat er een concreet bewijs is dat de standpunten en verklaringen in diverse instanties gebaseerd is op indirect verkregen, en vaak uit de koers, informatie en niet op betrouwbaar onderzoek.

Kortom, we krijgen vooroordelen die voorgeschoteld worden als objectieve zaken.

Kijk bv. naar de verwerping van "het onderbewuste".

Het boek geeft een lange, zelfs vervelende, pseudo-wetenschappelijke discussie over hoe "de wetenschap" er niet in geslaagd is om het bestaan aan te tonen van de "onderbewuste" geest zoals Freud, Jung en Tart hebben beschreven, en eindigt dan overhaast met het ongefundeerde besluit dat er niet zoiets is als de onderbewuste geest (nadruk toegevoegd).

Ik moet Karl en iedereen toegeven dat overhaast eindigen met een besluit één van m'n favoriete oefeningen is, maar ik heb nooit overhaast of zelfs traag besloten dat er niet zoiets is als het onderbewuste. Het is niet helemaal juist te zeggen dat ik de opvattingen van Freud, Jung en Tart heb verworpen omdat de wetenschap het bestaan van hun opvattingen niet kon aantonen. Het is juister te zeggen dat ik de opvatting van Freud heb verworpen omdat het empirische bewijs wat betreft trauma en geheugen het voor het grootste gedeelte tegenspreekt. Ik verwerp de opvattingen van Jung en Tart dat het onderbewuste een vat is van transcendente waarheden niet omdat het metafysisch en dus vals is, maar omdat ik het niet nuttig of overtuigend vind als een een verklaring voor wat het ook zou kunnen uitleggen. Dhr. Tyler had me kunnen bekritiseren omdat ik de lezer zou misleiden door te verklaren dat er geen wetenschappelijk bewijs is voor deze metafysische opvatting. Uiteraard is er geen dergelijk bewijs. Dat is ook niet mogelijk. Metafysische beweringen kunnen door hun aard nooit worden gestaafd met wetenschappelijk bewijs.

Dhr. Tyler zegt dat het mijn standpunt is dat er niet zoiets is als het onderbewuste. Maar in de derde paragraaf zeg ik "Het zou absurd zijn om het idee van het onderbewuste eenvoudigweg te verwerpen omdat we de opvatting van Freud verwerpen als zou het onderbewuste een vat zijn van verdrukte herinneringen van traumatische ervaringen....het lijkt duidelijk dat veel, zoniet alles, van iemands hersenactiviteit gebeurt zonder dat we er ons van bewust zijn. Bewustzijn of zelfbewustzijn is duidelijk de spreekwoordelijk top van de ijsberg."

Ik schrijf ook dat "er uitvoerig wetenschappelijke gegevens zijn om als feit vast te stellen dat er bewuste waarnemingen zijn zonder zelfbewustzijn." Ik geef vier voorbeelden om dit standpunt te staven: blind zijn maar denken dat je kan zien (blindness denial), jargon afasie, blindzien (je kan zien maar denkt dat je blind bent) en mondelinge/verbale scheiding. Dhr. behandelt deze verklaringen niet, hoewel ze duidelijk een geloof in het onderbewuste impliceren, zij het een ander onderbewuste dat dat van Freud of Jung. Ik verwijs naar dit soort onderbewuste als "verloren geheugen", "gefragmenteerd geheugen", of"impliciet geheugen" en citeer het werk van Schacter en Tulving, die de laatstvermelde term bedacht. Dhr. Tyler, die voortgaat met meer stroman-argumentatie, zegt dat "we duidelijk het vermogen hebben tot mentaal verwerken wat iets gesofisticeerders is dan louter 'verloren geheugen' zoals deze auteur suggereert." Met andere woorden, he suggereert dat ik niet alleen het onderbewuste heb verworpen, maar dat ik ook het bewuste heb verworpen! Natuurlijk hebben we een vermogen tot mentale verwerking dat verder gaat dan de voormelde zaken van perceptie zonder zelfbewustzijn.

Dhr. Tyler denkt blijkbaar dat door te bewijzen dat ik het geloof verwerp in het onderbewuste (wat ik niet doe) en in het bewuste verder dan de bewuste waarneming zonder besef (wat ik niet doe), hij aangetoond heeft dat ik het fout heb. Er is niet veel bewijs nodig om zijn verklaring te staven dat ik fout ben, aangezien hij een eerder debiele overtuiging weerlegt die hij foutief als de mijne beschouwt. Zijn vooronderstelling bestaat uit de verklaring: "je moet geen kerngeleerde zijn om de validiteit van het idee van een 'onderbewustzijn' of een 'buiten bewustzijn' geest te erkennen." Met andere woorden, de stroman is zo duidelijk fout dat een weerlegging niet eens nodig is.

Ik kan alleen maar randen naar het waarom van het misbegrijpen van mijn standpunt door Dhr. Tyler. Het is onvoldoende duidelijk en concreet war hem motiveert. Hij zegt dingen zoals "het boek vertelt ons jammer genoeg weinig meer dan welke groepen en ideeën de sarcastische afkeuring verdienen van de auteur." Maar dit zegt gewoon dat ik vooral over ideeën schrijf waar ik een afkeer van heb (wat een andere misvatting is). Hij schrijft dat "er een concreet bewijs is dat de standpunten en verklaringen in diverse instanties gebaseerd is op indirect verkregen, en vaak uit de koers, informatie en niet op betrouwbaar onderzoek. Kortom, we krijgen vooroordelen die voorgeschoteld worden als objectieve zaken." Jammer genoeg is het bewijs van Dhr. voor mijn "indirect verkregen" standpunten (wat dat ook moge betekenen) en mijn"vooroordelen voorgeschoteld als objectieve zaken" zijn verklaring dat ik het bestaan van het onderbewuste ontken (wat ik niet doe).

Tyler meent dat mijn boek "een lange, zelfs vervelende, pseudo-wetenschappelijke discussie geeft over hoe "de wetenschap" er niet in geslaagd is om het bestaan aan te tonen van de "onderbewuste" geest zoals Freud, Jung en Tart hebben beschreven" Hij heeft zeker het recht te zeggen dat het werk van Daniel pseudowetenschappelijk is, maar hij zou dan op z'n minst moeten proberen uitleggen wat hij bedoelt met pseudowetenschappelijk en waarom hij pseudowetenschappelijk acht wat iedereen in de psychologiegemeenschap als wetenschappelijk beschouwt.

Tyler zegt dat mijn "argument vooronderstelt dat niets 'waar' is tot het wetenschappelijk is gevalideerd. Dat is een beetje als zeggen dat Australië niet bestond tot het door ontdekkingsreizigers werd ontdekt". De analogie is een afleiding. Ik vooronderstel wel dat geen enkele empirische mening waar is tot die wetenschappelijk is bewezen. Dat is de reden waarom ik de verklaringen van Freud afwees die het onderbewuste zien als een vat van verdrukte herinneringen dat gedrags- en geestesstoornissen veroorzaakt. Het empirische bewijs staaft deze bewering niet.

Ik bespreek in het artikel over het onderbewuste niet echt de reden waarom ik het idee verwerp van het onderbewuste als een vat transcendente waarheden. Wie die wil kennen moet m'n artikels over Jung en Tart lezen. Tyler vindt het misschien interessant te weten dat Jung ook het idee van Freud over het onderbewuste verwierp. Goed, Jung deed dat niet omwille van het gebrek aan wetenschappelijk bewijs, aangezien hij meer interesse had in intuïtie en anekdotes dan in wetenschappelijk onderzoek. Maar hij verwierp het niettemin.

In mijn artikels over Jung en Tart, zal de aandachtige lezer volgens mij merken dat ik hun metafysische theorieën over het onderbewuste niet verwerp omdat ze metafysisch en dus foutief zijn. Ik verwerp ze omdat ze verward zijn en ik ze niet nuttig acht. Ze zijn niet echt duidelijk en zijn niet nodig om om het even wat te verklaren. Dus opnieuw heeft Dhr. Tyler een stroman gecreëerd. Ik laat het aan de lezer om uit te zoeken hoe deze stroman is als het zeggen dat Australië niet bestond totdat ontdekkingsreizigers het ontdekten.

Tyler meent dat mijn boek "nauwgezet negeert dat 'wetenschappelijke' kennis zelf een hoogst veranderlijke tafel is- wat vandaag bewezen of weerlegd is kan morgen wel eens weerlegd of bewezen zijn." Meer stroman hier, al moet ik hem toegeven dat 'nauwgezet negeren' een bewonderenswaardige uitdrukking is.

Misschien is de sleutel van de motivatie van Dhr. Tyler om mijn verklaringen en standpunten foutief weer te geven te vinden in zijn merkwaardige verwijzing naar een professor en een experiment.

Feit: diverse experimenten, uitgevoerd [sic] door Prof. Robert "Pygmalion in the Classroom" Rosenthal hebben aangetoond dat studenten nauwkeurig de waargenomen degelijkheid van een leerkracht (zoals beoordeeld op het einde van een volledig semenster) kunnen voorspellen op basis van slechts drie videoclips van elk 2 (TWEE) seconden lang.

Welk proces gebruiken ze om die beoordeling te maken?

Hoe kunnen ze zo nauwkeurig zijn?

Welke maatstaf wordt gebruikt om de beoordeling te maken?

We weten het niet, omdat het proces plaatsgrijpt BUITEN het bewuste.

Als ik Dhr. Tyler goed begrijp, dan zegt hij dat Rosenthal een afdoend bewijs heeft dat een significant aantal studenten op basis van een videoclip van twee seconden kan voorspellen welke beoordeling de leerkracht van de studenten zal krijgen op het einde van een semester. Ik moet het met Tyler eens zijn dat een dergelijk proces onbewust gebeurt en dat het niets te maken heeft met impliciet geheugen, ondanks de bewering van Dhr. Tyler dat dit mijn standpunt moet zijn (nog een stroman-afleiding). [Even terzijde, hoewel ik niet bekend ben met dit specifiek onderzoek, hebben andere onderzoeken van Rosenthal het krachtige effect aangetoond van eerste indrukken op latere oordelingen. Ik veronderstel dat de juistheid van de studentenbeoordelingen wordt verklaard door de snelle oordelen die ze maken. Ik bedoel dat de studenten hun beeld over een leerkracht baseren op hun eerste indrukken van hoe de leerkracht zal zijn. Kortom, de snelle oordelen van de studenten zijn zichzelf vervullende voorspellingen.]

Tyler besluit met enkele algemene, minachtend opmerkingen over mijn boek:

Dit is het soort boek dat sterk in trek is bij oppervlakkige cynici, en biedt een brede basus voor skepticisme jegens diverse onderwerpen via een aantal gebrekkige 'feiten' die de lezer niet geacht wordt zelf na te gaan.

Hij vermeldt geen enkel ander 'gebrekkig' feit. Ik vermoed dat dit komt omdat hij het boek op dezelfde manier leest als het arikel over het onbewuste. Mocht iemand de moeite doen om zijn verklaring te leggen naast wat ik werkelijk zeg, dan zou het duidelijk worden wat voor iemand Dhr. Tyler is: iemand die andermans standpunten en argumenten foutief interpreteert om vervolgens aan te vallen met ruwe tegenargumenten.

Zijn laatste opmerking is veelzeggend:

Een maatstaf van een echt nuttige criticus is dat BEIDE partijen (of ALLE partijen) voorgesteld en vergeleken worden zodat de luisteraar/lezer zijn eigen conclusie kan trekken. Maar geen zorg - dat zal je in dit boek alvast niet vinden.

Meer stroman. Mocht Tyler de inleiding van mijn boek lezen, dan zal hij zien dat ik de lezer specifiek zeg dat Het Woordenboek van de skepticus geen 'kritiekstuk' of kritische beoordeling is van alle voorgestelde zaken. MIjn boek is een boek voor skeptici, en wil sceptische argumenten en referenties naar de beste sceptische literatuur verschaffen.

Voor zover ik weet, heb ik nooit gecorrespondeerd met Dhr. Tyler. Ik heb dus geen idee waarom hij mijn boek zo foutief voorstelt om zijn 'bespreking' te kunnen plaatsen. Ik plaats bespreking tussen aanhalingstekens omdat hij mijn boek niet heeft besproken. Geen enkel van de artikels die hij vermeldt heeft hij besproken. Hij heeft standpunten en doelstellingen bekritiseerd die ik niet heb. Waarom? Ik denk dat de meest welwillende verklaring is dat hij niet het hele boek heeft gelezen en dat hij niet goed heeft gelezen wat hij wel heeft gelezen.

Maar de bespreking van Dhr. Tyler heeft één goede verdienste: het is een perfect voorbeeld van de stroman-drogreden.