Het filosofische scepticisme (het woord is afkomstig van het Griekse skeptesthai, "onderzoeken") is in essentie een algemene opvatting over menselijke kennis. Het is een denkhouding die de twijfel tot hoogste principe verheft en ervan uitgaat dat betrouwbare kennis onmogelijk is. We kunnen de wereld dus nooit kennen zoals die werkelijk is. Het filosofische scepticisme stelt al onze standaarden ter rechtvaardiging van onze uitspraken over de wereld in vraag. Uiteindelijk, zo luidt de redenering, is er geen enkele reden om bepaalde dingen wel te geloven en andere niet. Het streven naar kennis is inherent problematisch, want er bestaat een onoverkomelijke kloof tussen onze uitgangspunten en de besluiten die we willen trekken. We gaan er volgens de radicale scepticus bijvoorbeeld onterecht van uit dat de objecten die wij waarnemen, ook werkelijk bestaan. Al onze waarnemingen vinden immers plaats via onze zintuigen, en de veronderstelling dat die ons informatie over de werkelijke wereld leveren, is een uitgangspunt dat wij niet kunnen bewijzen, omdat wij altijd binnen onze zintuiglijke subjectiviteit opgesloten blijven. We kunnen wel op basis van onze ervaring toekomstige zintuiglijke ervaringen voorspellen, maar we zijn nooit gerechtvaardigd om de stap te zetten naar het geloof in het bestaan van objecten buiten die ervaringswereld.

Het scepticisme ontwikkelde zich in het Griekenland van de vijfde eeuw v.C. Een aantal filosofen begon, ten dele als reactie tegen absolutistische opvattingen en filosofieën, twijfels te uiten over de mogelijkheid van zekere kennis.Van Protagoras stamt het kernachtige "de mens is de maat van alle dingen". Gorgias drukte het als volgt uit: "Niets bestaat; als er iets bestaat, kunnen we het niet kennen; als er iets bestaat en we kunnen het kennen, kunnen we het niet communiceren". De heren in kwestie maakten deel uit van de sofisten, filosofen die tegen betaling onderricht verschaften in de kunst van de retoriek en het debat. Elk argument kan overtuigend klinken, zolang je het maar slim genoeg aanbrengt, meenden ze.

Na de sofisten volgden in de derde eeuw v.C. de pyrronisten, genoemd naar de grondlegger Pyrrho van Elis. Zij stelden dat, aangezien we de werkelijkheid nooit kunnen kennen, we maar beter ophouden er uitspraken over te doen. Pyrrho’s leerling Timonius van Philius voegde daaraan toe dat er altijd even goede argumenten pro en contra elke stelling bestaan, wat het onmogelijk maakt een keuze te maken. De antieke Romeinen lieten zich evenmin onbetuigd op het sceptische vlak, zoals ondermeer blijkt uit het omvangrijke handboek van het sceptische denken door Sextus Empiricus (eind tweede, begin derde eeuw n.C.)

In de Renaissance ontstond een nieuwe behoefte aan sceptische argumenten in de strijd tegen het kerkelijk gezag. Sceptische invloeden duiken op in de befaamde Essais (1580) van Montaigne en in de Méditations (1641) van Descartes. Deze laatste hanteerdehet principe van de methodische twijfel: westellen al onze zekerheden in vraag en gaan na wat er overblijft. Descartes’ bekende antwoord luidt: "Ik denk, dus ik ben". Hoe groot de twijfel ook is, toch kan ik niet twijfelen aan het feit dat ik twijfel. Omdat hij de methode van de radicale twijfel gebruikte om een zekerheid te vinden, wordt Descartes echter niet als een echte scepticus beschouwd.

Het scepticisme werd verder uitgebouwd door de 18de-eeuwse Schotse filosoof Hume, die argumenteerde dat zaken die wij als zeker ervaren, zoals natuurwetten, het verband tussen oorzaak en gevolg, en het bestaan van god en de ziel, eigenlijk verre van zeker zijn. Verdere uitlopers van het wijsgerig scepticisme vinden we bij Nietzsche en, vandaag, in het postmodernisme. Volgens het wijsgerig scepticisme is het met andere woorden irrationeel te geloven dat wij iets kunnen weten. Als je dat radikaal doordenkt, betekent dit dat we in een compleet kennistheoretisch nihilisme belanden; we kunnen ofwel alles ofwel niets meer geloven. Het fundamentele probleem met dit soort van scepticisme is de onderliggende eis dat WETENSCHAPPELIJKE uitspraken absoluut zeker moeten zijn. Pas tegen de tweede helft van de 20ste eeuw, met de wetenschapsfilosofie van Popper, groeide het inzicht dat wetenschappelijke theorieën in beginsel altijd voorlopig zijn.

En zo belanden we bij het verschil tussen scepticisme en skepticisme: waar het eerste elke uitspraak betwijfelt, aanvaardt het tweede hypothesen, als ze maar de toets van het onderzoek doorstaan hebben. Het skepticisme is niet alleen een opvatting, maar heeft ook methodologische consequenties. Het betekent dat we wetenschappelijke bewijzen willen voor we een stelling aanvaarden (als dusdanig vormt het skepticisme een onderdeel van de wetenschappelijke methode). Eerst zien en dan geloven, daar komt het op neer. Skeptici zullen dus beweringen niet zomaar a priori naast zich neerleggen, noch bij voorbaat het bestaan van onwaarschijnlijke fenomenen uitsluiten. Meer zelfs, zij willen om het even wat aanvaarden, mits de bewijzen maar sterk genoeg zijn. Een methodologisch gevolg van een skeptische instelling is immers ook dat de bewijslast groter wordt naarmate de fenomenen onwaarschijnlijker zijn. De stellingen van de kwantummechanica en de evolutiewetenschap klinken uitermate bizar, maar we kunnen niet om de grote hoeveelheid bewijsmateriaal heen. Skeptici zijn eveneens bereid om algemeen aanvaarde hypothesen opnieuw te onderzoeken als zou blijken dat ze misschien niet kloppen. Wetenschappelijke data zijn immers voorlopig; ze kunnen veranderen als zich nieuw bewijsmateriaal aandient. Sommige theorieën, zoals buitenzintuiglijke waarneming, creationisme en een heel aantal zogenaamd alternatieve geneeswijzen, zijn echter al zo vaak getest (met negatief resultaat) dat we voorlopig mogen besluiten dat ze nergens op slaan.

Het skepticisme (we zouden ook de term ‘rationeel scepticisme’ kunnen gebruiken ter onderscheid met het wijsgerig scepticisme – hoewel de skeptici zelf het eerder over ‘de skeptische beweging’ zullen hebben) vond zijn eerste institutionele weerslag in 1949, met name in uw geliefde België. Toen werd het Comité Para opgericht, het Belgisch comité voor de wetenschappelijke navorsing van paranormale verschijnselen. In 1976 volgde Amerika, waar filosoof Paul Kurtz CSICOP uit de grond stampte, het Committee for the Scientific Investigation of Claims of the Paranormal. De term skeptisch raakte vooral bekend door het tijdschrift van CSICOP, Skeptical Inquirer (een ironische verwijzing naar het Amerikaanse sensatieblad National Inquirer). Hieruit ontstonden groeperingen en tijdschriften met een daarnaar verwijzende naam, zoals Skepsis/Skepter in Nederland, Skeptiker in Duitsland, en het u welbekende SKEPP.

---------------

Artikel uit tijdschrift Wonder en is gheen wonder — Tijdschrift voor wetenschap en rede
3e jaargang, nr. 1, 3/2003

<Deze pagina maakt geen deel uit van het originele Skepdic's Dictionary.>